Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er reeds 95 scholen naar het stelsel van Lancaster in verschillende steden van Engeland verspreid.

Het Bell-Lancastersche stelsel trok ook in ons land de aandacht en er waren er zelfs sommigen, die er op aandrongen, het hiei eveneens in te voeren. V a n den E n d e, de ontwerper van de schoolwet van 1806, schijnt voor het stelsel wel wat te hebben gevoeld, maar hij was verstandig genoeg, om zich tegen het voorschrijven van een bepaalde leerwijze te verzetten. Toch vinden wij in de schoolwet van 1806 een bepaling, die aan Bell-Lancaster herinnert. Art. 10 der Algemeene Schoolorde: „De Meester zal, dit gepast oordeelende, de meest gevorderde Leerlingen beloonen, met hen het geven van eenig onderrigt aan de minst gevorderden op te dragen" zal wel onder den invloed van hun leerwijze zijn ontstaan.

Is dit nu ook de bedoeling van C.? Het zal wel duidelijk zijn, dat C. te veel opvoedkundige was, om dit te willen. Zijn opzieners schijnen bijna alleen tot taak te hebben gehad, om den onderwijzer te helpen in het nazien van het schriftelijk werk; wat bij een klas van honderd leerlingen, een getal, dat hij als mogelijk aanneemt, zeker wel noodig was. Hij wenschte, dat de leerlingen in groepen van tien zouden worden ingedeeld en dat één dei leeilingen met het opzicht over zoo'n groep zou belast worden: over eenige groepen van tien stond dan weer een hoofdopzichter.

Het groote verschil tusschen C. en Bell-Lancaster is, dat bij den eerste de flinkste leerlingen slechts hulp verschaffen en bij de laatste onderwijs geven. C. liet zijn monitors de zwakke leerlingen helpen, als dezen bij het schriftelijk werk (rekenen, taalwerk, enz.) niet verder konden en tevens hielden zij toezicht, of allen het besproken werk behoorlijk verbeterden. Verder ging de taak der opzieners niet: de onderwijzer bleef de leider van de klas. O p dorpsscholen, waar de onderwijzer verschillende klassen voor zijn rekening heeft, veidient het ook thans nog ernstig overweging, of naar den geest van C. de hulp der beste leerlingen bij de schriftelijke werkzaamheden niet kan worden ingeroepen.

Laten wij thans onderzoeken, hoe C. aan de eischen der algemeene methode bij de methodiek der afzondeilijke leervakken wenscht te voldoen. Achtereenvolgens bespreekt hij de methode der wetenschappen in het bijzon-

Sluiten