Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De toelichting luidt aldus : „De slangen kruipen, terwijl zij zich krommen: de kleine slang, 1 in het boscli; de waterslang, 2 in het water; de adder, 3 in klippen ; de veldadder, 4 in de velden; een ander soort van slang, 5 in huizen; de blindsluiper, 6 is blind.

Pooten hebben de hagedis, 7 ; de salamander, 8 die in het vuur f

leeft. De draak, 9 een gevleugelde slang doodt met zijn adem; de basilisk, 10 met de oogen ; de schorpioen, 11 met den vergiftigden staart." (Do cijfers tusschen den tekst verwijzen naar de dieren op de afbeelding.)

Wij zullen tegenwoordig voorzeker dit stukje dierkunde aan onze leerlingen niet meer voorleggen. De vertaling heeft ons vrij wat moeite gekost en wij weten ook niet zeker, of wij overal de bedoeling van C. goed hebben weergegeven: ook al omdat de afbeelding niet veel licht geeft. Zoo vinden wij naast het Latijnsche „coluber" in het Duitsch „grosse Schlange." Wij hebben de vrijheid genomen het door „kleine slang" weer te geven, omdat wij meenen dat dit de beteekenis is. Veel doet het er echter niet toe : wij krijgen een denkbeeld van de bedoeling van C. In zijn afbeeldingen en bijschriften weerspiegelt zich natuurlijk de wetenschap van zijn dagen.

In het negenentwintigste hoofdstuk zet C. zijn denkbeelden uiteen '

omtrent de volksschool.

De volksschool is de inrichting, die naar zijn meening door alle kinderen, hetzij ze voor den handwerksstand of voor den geleerden stand zijn bestemd, moet bezocht worden. Hij grondt zijn meening vooral hierop, dat men bij het zesjarig kind nog niet kan bepalen,

wat het later zal moeten worden en dat, als het onze plicht is alle menschen in alles te onderwijzen, wat zij in het leven noodig hebben, men gedurende den jongens- en meisjesleeftijd voor allen denzelfden gang moet volgen. Nu zouden de bovenvermelde redenen van C. slechts aanleiding kunnen geven tot het stellen van den eisch, .t

dat gedurende den jongens- en meisjesleeftijd de leerstof voor allen dezelfde moet zijn en zelfs met dezen eisch neemt C. het niet eens al te streng, daar hij de kinderen, die zulks behoeven, gedurende de laatste drie leerjaren ook onderwijs wenscht te verstrekken inde talen der naburige volken. Wij mogen uit de vermelde redenen echter t

nog niet concludeeren, dat nu ook alle leerlingen dezelfde school zullen bezoeken of m. a. w. wat C. aanvoert, pleit wel voor een zelfde onderwijs, maar niet tegen een verdeeling der leerlingen naar de standen, zooals dit in ons land het geval is. Toch schijnt C. ook

Sluiten