Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een menschelijk beeld van God maken zou, als hij voor dien tijd met hem over God sprak. Dat er groote kans bestaat, dat Emile die tot zijn achttiende jaar geen behoefte aan God heeft gevoeld, zal oordeelen dat hij het nu ook wel verder buiten diens steun en bijstand zal kunnen stellen, schijnt niet in R. op te komen. Zelfs schijnt hij niet in te zien, dat er niets onnatuurlijker is, dan de zedelijke en godsdienstige opvoeding tot zoo laat te verschuiven.

Toch was R. zelf een godsdienstig man, zooals uit de warmte blijkt, waarmee hij in „de geloofsbelijdenis van den Savoischen pastoor" over God en het Goddelijke schrijft, 't Is deze geloofsbelijdenis, zooals wij reeds zeiden, die eenerzijds voor een deel oorzaak was van den uitbundigen lof waarmee de „Emile" werd begroet en anderzijds van de vervolgingen, waaraan R. blootstond. In deze geloofsbelijdenis bestrijdt R. de toenmaals geldende Christelijk-godsdienstige denkbeelden, om slechts het geloof aan God en de onsterflijkheid te behouden. R.'s Godsgeloof is daarenboven bijna uitsluitend een zaak des verstands en niet des gemoeds.

Men heeft wel eens beweerd, dat R.'s godsdienstige denkbeelden overeenkomen met de denkbeelden der vrijzinnige Christenen van heden. Dit is echter niet juist. Wanneer wij R. om zijn godsdienstige denkbeelden met een naam wilden aanduiden, dan zouden wij hem een godsdienstig vr ij denker noemen, die een der uitnemendste voorgangers der vrijzinnige Christenen onlangs zoo scherp wist te schetsen.1) Hij behoorde tot die breede reeks van achttiende-eeuwers, wier geloofsbelijdenis het best wordt geteekend door Schillers woord:

„Welche Religion ich bekenne? Keine von allen,

Die du mir nennst. Und warum keine? Aus Religion."

Met het aanbrengen van denkbeelden omtrent zedelijkheid en godsdienst is echter de opvoeding nog niet voltooid, ,,'t Is niet goed, dat de mensch alleen zij; Emile is mensch; wij hebben hem een gezellin beloofd, wij moeten hem haar geven", zegt R. in het begin van het vijfde boek. Zoo is het ook: R. heeft Emile van zijn aanstaande vrouw gesproken en zelfs reeds schertsend voorgesteld haar Sophie te noemen. In het vijfde boek zal Sophie worden gezocht.

Met het vijfde boek gaat de opvoedkundige verhandeling, die „Emile" heet, eenigszins op een roman gelijken. In het eerste deel

1) P. Feenstra, Jr. Godsdienstige Vrijdenkers.

Sluiten