Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het vijfde boek nog niet. Wilden wij dit eerste deel kenschetsen, dan zouden wij het den naam „Zielkunde van de vrouw" geven. Een zeer oppervlakkige zielkunde wel is waar: R. blijkt in zijn „Emile" beter kinderkenner dan vrouwenkenner te zijn. 't Was ook niet te verwonderen, want de vrouwen die hij kende, waren geen andere dan die van het slag van Thérèse Levasseui, het onontwikkelde buffetmeisje, en verder aanzienlijke mondaine dames, die den beroemden schrijver bij zich te gast vroegen. Of neen, R. had nog een meisje gekend: „Indien ik hun zei, dat Sophie geen denkbeeldig wezen is", schrijf hij in het vijfde boek, „dat haar naam alléén een bedenksel van mij is,^ dat haar opvoeding, haar zeden, haar karakter, haar persoonlijk zelfs, werkelijk hebben bestaan, en dat de herinnering aan haar nog tranen kost aan een achtbare familie, zouden zij zonder twijfel er niets van gelooven." R. verhaalt ons dan verder den roman van het jonge meisje. Hij deelt mee dat zij van het lezen van Fénélon's Télémaque zoo'n levendigen indruk gekregen had, dat zij verliefd was geworden op den held en omdat zij niemand vond, die hem geleek, uit teleurgestelde liefde was gestorven. Dit meisje nu had R. voor oogen gezweefd, toen hij te midden van bosschen en wateren de gast was der „maréchale de Luxembourg", te Montmorency. „Laten wij aan onzen Emile zijn Sophie teruggeven; laten wij dit beminnelijk meisje weer in het leven roepen om haar een minder levendige verbeeldingskracht te geven en een gelukkiger lot.

Is het wonder dat met deze voorbeelden voor oogen, de vrouw zooals R. ons die schildert wel een beminnelijke verschijning is, geschikt om aan mannen te behagen, maar zonder zedelijke kracht? tls de vrouw, die misschien in haar jeugd kan worden aanbeden door een schaar van minnaars, maar die in haar ouderdom niet die hooge edele waardigheid bezit, die bij vrouwen van leeftijd zoovaak wordtgevonden.

Toch moet men niet denken, dat het laatste boek uit opvoedkundig oogpunt geheel zonder beteekenis is. Zeker, Sophie wordt niet opgevoed om haar zelfs wil. De beteekenis van de vrouw als eigen persoonlijkheid laat Comenius wel, maar R. niet tot haar recht komen. Daarentegen legt R. den vollen nadruk op het gioote belang van een gezellig tehuis voor het familieleven. Sophie leeit in de eerste plaats belangstellen in huiselijke bezigheden, al blijft zij altijd dame. Zij leert wel nog minder dan Emile, maar eenmaal zijn vrouw zal deze haar verder moeten ontwikkelen en zij zal de toewijdende verzorgster zijner kinderen zijn.

Sluiten