Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hun vijftiende levensjaar. Zij zijn verdeeld in drie klasset). Vijf onderwijzers zijn met het onderwijs belast: de edukator, de lagere onderwijzer, de onderwijzer in zedenkunde, de natuurkunde-onderwijzer en de geschiedenis-onderwijzer. De twee eerste spreken steeds de moedertaal, de derde Fransch en de twee laatste Latijn. In de laagste klas blijven de kinderen tot het einde van het tiende jaar, in de tweede klas tot het einde van het dertiende en in de hoogste tot het einde van het vijftiende jaar. De lagere onderwijzer is de klasseondei wijzer der laagste klas, de drie andere onderwijzers verdeelen de vakken der beide hoogste klassen onder elkaar, de edukator leidt het geheel.

B. besluit zijn beschrijving van de kleine scholen met op te merken, dat alles zoo moet zijn ingericht dat spelen tot leeren en leeren spel wordt. Hoewel hij nog niet tot in bijzonderheden afdaalt, vinden wij hier toch reeds de grondgedachte uitgesproken, die later in het „Philanthropinum" verder zou worden ontwikkeld en die tot het letterspel en de instelling van rangen en ridderorden leidde.

Wat B. van het gymnasium en de hoogeschool zegt, is voor ons van weinig beteekenis. Alleen verdient vermelding, dat hij ook op het gymnasium een edukator met het oppertoezicht wil belasten.

Ook het t h e a t e r maakt deel uit van B.'s opvoedkundige hervormingsplannen. De tooneelspelers moeten het gymnasium bezocht hebben en de tooneelspeelsters opzettelijk voor hun ambt m een instituut worden opgevoed. Wie zich aan onzedelijkheid •schuldig maakt, wordt uit zijn ambt ontzet. Een bekwaam dichter moet alle stukken nazien en zorgen dat zij in zedelijk opzicht aan alle eischen voldoen. Voor het volk moeten van tijd tot tijd kostelooze voorstellingen gegeven worden, want volgens het plan van B. zullen de tooneelspelers bevorderaars van de nationale deugden zijn. Zij moeten daarom ook goed worden betaald en een onbezorgde ouderdom moet hun verzekerd zijn.

Gaan wij ten slotte er toe over, mee te deelen wat B. in het derde deel „O ver het „Elementarbuc li" der menschelijke kennis" zegt. Na een korte toespraak tot alle edele menschenvrienden, gaat B. tot de beschrijving van zijn „Elementarbuch" over.

Sluiten