Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schap ongetwijfeld als juister te beschouwen, toch gaat S. te ver als hij beweert, dat de ziekten en verkeerdheden der ouders 11 o o d z a k e 1 ij k op de kinderen moeten overgaan. Ook in de laatste jaren is deze meening vooral onder den invloed der crimineel-anthropologische scholen herhaaldelijk uitgesproken, maar grondiger onderzoek heeft ten slotte tot de overtuiging geleid, dat zeker vaak eigenschappen overgaan, maar dat er ook eigenschappen bij de nakomelingen verdwijnen, zoodat het fatalistische geloof, dat het kind noodzakelijk voorbestemd is den aanleg tot de verkeerdheden der ouders bij de geboorte mee te brengen, moet worden afgewezen. Toch is het goed, dat de vader en de moeder weten dat de mogelijkheid zeer groot is, dat zij hun verkeerdheden in kiem bij het kind overbrengen en dat zij dus ook in het belang van bun aanstaand kroost tegen hun gebreken hebben te strijden.

Een ander punt waarop wij moeten wijzen, is de pessimistische uitspraak van S. dat de gebreken der kinderen met de jaren grooter worden. Zeker als men een jongen van tien jaar meteen kind van twee jaar vergelijkt, dan schijnt het zoo. Maar het is ook niet meer dan schijn. Het willen van het tweejarig kind is nog lang niet zoo samengesteld als dat van den tienjarigen jongen : voorstellingen, gevoelens en stemmingen, zijn niet alleen veel minder talrijk maar ook veel enkelvoudiger dan in de latere jaren; het kind moet in eigenlijken zin nog leeren willen. De tienjarige doet zeker meer kwaad dan de tweejarige, maar ook meer goed. Juist met het bewustzijn van goed en kwaad groeien de moeilijkheden bij de opvoeding en houdt men dit in het oog, dan zijn wij er van overtuigd dat het oordeel luiden moet, dat in ordelijke gezinnen over het algemeen de kinderen met de jaren beter worden. Een achttienjarige staat gewoonlijk zedelijk hooger dan de twaalfjarige.

Maar zelfs al wordt een bepaald kind met de jaren niet beter, dan heeft men nog niet het recht dezen achteruitgang aan de ouders te wijten. Het kind komt behalve met zijn ouders nog met zooveel anderen in aanraking, dat het complex van mogelijke oorzaken veel te samengesteld is, om met zekerheid te kunnen bepalen, aan wie de schuld. Zeker de ouders hebben ook tot plicht den omgang van hun kind te bewaken, maar zelfs bij de meest nauwlettende zorg hebben zij het nimmer geheel in hun hand.

Eindelijk vergeet S. nog een factor en wel de allervoornaamste in de karaktervorming van het kind : dat is de p e r s o o n 1 ij k-

Sluiten