Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

h e i (.1 van het kind zelf. De wijze waarop liet kind op zijn eigen zinnelijke natuur, op de opzettelijke opvoeding, op de onopzettelijke opvoeding reageert, is wel van het meeste gewicht. Daardoor zal men nooit met zekerheid kunnen voorspellen, al zouden ook aanleg, opvoeding en alle overige omstandigheden bekend zijn, wat er van het kind zal worden. Er blijft altijd iets onherleidbaars. Daarom ook, al kunnen aanleg, opvoeding en omstandigheden veel verklaren en verontschuldigen: de daad blijft ten slotte de schuld van den mensch zelf, hij is verantwoordelijk.

Kunnen wij derhalve blijkens het bovenstaande met Salzmann niet meegaan toch is zijn uitgangspunt voor de opvoeding minder schadelijk, dan dat van Locke en Rousseau. De aangeboren aanleg is bij hem een factor die meetelt, al schrijft hij dien dan ook uitsluitend aan de ouders toe, en — elke opvoeder die met den aangeboren aanleg rekening houdt, zal reeds dadelijk de meening verwerpen, dat een zelfde uniforme opvoeding voor alle menschen zou passen en dus veel minder eenzijdig te werk gaan dan een Locke of Rousseau.

Het was daarenboven wel goed in dien tijd de ouders voor te houden, dat zij in velerlei opzicht schuld hadden aan de verkeerdheden hunner kinderen. De eenzijdigheid van S. is menig kind ten goede gekomen. Misschien zou S.'s woord niet zoo scherp hebben geklonken, indien hij minder eenzijdig was geweest. En zou het ook thans nog niet goed zijn, als alle opvoeders, ouders en onderwijzers, bij de fouten hunner pupillen zich zelf afvroegen : is het ook mijn schuld ?

In welk opzicht zondigen volgens S. de ouders na de geboorte van het kind ?

„Ten eerste in hun voorbeeld. Het kind, nog niet in het bezit van zijn verstand, kan niet anders dan nadoen, wat het van anderen ziet en van anderen hoort. Indien men het tegendeel eischen wilde, zou ik dit even dwaas vinden, alsof een echte Duitscher, die nooit een vreemde taal sprak, van zijn zoon die aan zijn zijde opgroeit, verlangde, dat hij niet Duitsch maar Fransch spreken zou en hem, als hij het niet kon, verwijten zou gaan maken en tot hem zeggen : „jij domme jongen, kijk eens, hoe goed Fransch andere kinderen spreken! en jij — er zal nooit iets goeds van je komen." En dan moet men eens op het voorbeeld letten, dat veel ouders aan hun kleinen geven. Zij kijven en ze

Sluiten