Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deren zoo teer, dat ze bijna niets deden dan hen bedienen en voor hun bediening zorgen.

Den heelen voormiddag besteedden ze er aan, om hun kinderen aan te kleeden, te kammen, hun staartpruikjes te vlechten en hun koffie in te schenken. Aan tafel konden de goede raenschen geen stukje in hun mond steken, of het eene kind riep: ik wil brood hebben; het andere: ik heb geen mes, het derde: ik heb dorst. En zoo dikwijls één van de kinderen riep, sprong öf mijnheer Hieronymus öf zijn vrouw op, om aan hun verlangen te voldoen.

Gingen ze wandelen, dan waren ze hoogst voorzichtig, dat de kinderen niet over een sloot of een breede greppel sprongen, of een heuvel opklommen of naar beneden rolden. Bij dergelijke gelegenheden sprongen ze angstig toe, riepen tegen de kinderen, dat ze stil moesten staan, tilden ze over de slooten en leidden ze den heuvel op en weer af.

Deze hulpvaardigheid werd echter eindelijk voor de goede menschen zeer lastig. De kinderen werden zoo onhandig, dat ze niet'in staat waren, zich alleen aan te kleeden, hun kleeren te herstellen of de gewoonste dingen te doen. Bijna voor elk kind moest mevrouw Hieronymus een meid houden, waardoor haar uitgaven jaarlijks heel wat grooter werden. En toch waren er nog niet genoeg meiden, om ze goed te bedienen. Mevrouw Hieronymus moest den heelen dag voor haar vier dochters en twee zoons wasschen, naaien en koken, en mijnheer Hieronymus werd voortdurend geroepen, om mee te helpen en bij het aankleeden zijn hulp te verleenen. Aan tafel zaten de kinderen, en de ouders stonden achter de stoelen en bedienden. Yan geen enkele uitspanning hadden ze het rechte genot. Maakten ze eens een wandeling in het gezelschap van hun kinderen, dan liet het voldoen aan de bevelen van hun kinderen hun niet zooveel tijd, dat ze vrij konden ademhalen. Daar klonk het bevel: „moeder bind mijn schort eens vast; vader mijn gesp is losgegaan! Help me eens over het slootje! Help me eens, anders val ik! O, o, wat ben ik gevallen, help me eens op."

Eens kreeg mevrouw Hieronymus visite van haar zuster. Toen deze vroeg hoe het met haar ging, barstte ze in tranen uit en zei: „ach, beste zuster, ik heb heelemaal geen pleizier meer in mijn leven. Mijn werk houdt nooit op, ik heb nooit een rustigen dag. Den heelen dag door gaat het trap op trap af. Als ik

Sluiten