Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gaan uit van getal, vorm en taal — deze gedachte wierp plotseling een nieuw licht op alles wat ik zocht."

Wanneer een ontwikkeld mensch een ding, waarvan hij slechts verwarde aanschouwingen heeft, zich duidelijk maken wil, dan zal hij van drie gezichtspunten uitgaan, zegt P.:

„1. lloe veel en hoe velerlei dingen zich aan zijn oogen vertoonen.

2. Hoe zij er uitzien; wat hun vorm en hun omtrek is.

3. Hoe zij heeten ; hoe hij zich elk door een klank, door een woord voor den geest kan roepen.

Deze wijze van handelen onderstelt bij zoo iemand de volgende vermogens.

1. Het vermogen, om ongelijke dingen naar den vorm op te vatten en zich den inhoud voor te stellen.

2. Het vermogen, om de dingen naar hun getal af te zonderen en ze zich als eenheid of als veelheid te kunnen voorstellen.

3. Het vermogen, om de voorstelling van een ding naar getal en vorm door de taal te verdubbelen en onuitwischbaar in het geheugen te prenten.

Ik oordeel derhalve : getal, vorm en taal zijn gezamelijk de elementen van het onderwijs, daar zij het totaal van alle u i tw e n d i g e eigenschappen van een ding met betrekking tot zijn omtrek en in betrekking tot zijn getal vereenigen en door de taal een deel worden van mijn bewustzijn. De onderwijskunst moet het dus tot een onveranderlijke wet voor haar vorming maken, uit te gaan van dit drievoudig fundament, en er naar te streven :

1. De kinderen te leeren, elk ding, dat hun tot bewustzijn is gebiacht, als eenheid, dus afgezonderd van de dingen, waarmee het schijnt verbonden te zijn, op te vatten.

2 Hun den vorm van elk ding, d. i. de afmetingen en de verhouding der deelen te leeren kennen.

3. Hun zoo vroeg mogelijk met den geheelen omvang der woorden en namen van alle door hen opgevatte dingen bekend te maken."

Men heeft er P. een verwijt van gemaakt, dat hij de aanschouwing beperkt heeft tot getal, vorm en taal. Uit de volgende aanhaling blijkt, dat P. er zich van bewust was, dat men met dit verwijt zou kunnen komen en dat men feitelijk met zoo'n verwijt hem onrecht doet.

„De eenige zwarigheid, die zich nog voordeed, als ik deze drie elementen als het fundament van alle aanschouwing wilde aan-

Sluiten