Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De zevende brief is dus in overeenstemming met bovenstaande verdeehng in drie hoofdstukken gesplitst.

Het eerste hoofdstuk de toonleer, kan weer in twee ondergesplitst worden: despraaktonen en de gezanetonen. Over de gezangtonen zegt P. slechts weinig, over de spraaktonen is hij uitvoeriger. Voor het eerst spreekt hij in dit hoofdstuk over het „Boek der moeders". In een noot wijst hil er hier reeds op, dat de oefeningen, die hij als wenschelijk aanbeveelt later door hem onnoodig geoordeeld werden. '

P. wenscht, dat de moeder, vóór het kind nog spreken kan het bepaalde letterverbindingen zal voorzeggen: ba ba, da da da' ma ma ma, la la la enz. Daarna volgen oefeningen als: ab, bab' gab, schab, stab enz. Zoodra de kinderen beginnen te spreken' moeten de moeders weer van voren af aan met die oefening aanvangen en ze de kinderen laten nazeggen.

Wanneer de kinderen in het spreken genoegzaam gevorderd zijn, leert men hun de klinkers, die daartoe op stijf panier ziin geplakt. De letters zelf zijn rood gekleurd. Als de klinkers goed woiden gekend, neemt men achtereenvolgens de medeklinkers die men niet afzonderlijk leert, maar slechts in verbinding met de klinkers: a, ab, bab, gab enz.

Zoodra alle letters worden gekend, neemt men andere papierstroken met drie soorten van letters, de Duitsche drukletters in het midden, daarboven de Duitsche schrijfletters en onderaan de Latijnsche drukletters. Dezelfde oefeningen worden daarna herhaald.

we"scht ook n°g» dat de letters geplaatst zullen worden op een bord met gleuven, dus zoo ongeveer ingericht als de leesmachine van Dellebarre (letterkast).

De leesmethode van P. is blijkens het voorgaande een syllabeermethode.

Het tweede hoofdstuk, getiteld „woordleer of liever naamleer" is slechts zeer kort. Ook hier verwijst P. weer naar het Boek' der moeders". De bedoeling van P. wordt het best door de volgende aanhaling weergegeven. „Deze naamleer bestaat in reeksen van namen der meest belangrijke dingen uit alle vakken van het rijk der natuur, der geschiedenis en der aardbeschrijving der menschelijke beroepen en betrekkingen. Deze woordenreeksen worden het kind, als bloote oefening in het leeren lezen, en onmiddellijk na het eindigen van zijn spelboek, in handen gegeven. De ondervinding heeft mij bewezen, dat het mogelijk is, de kin-

Sluiten