Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het eenvoudig kenvermogen, zoowel als van de eenvoudige aanschouwingswijze der dingen moet worden onderscheiden. Uit deze kunstmatige aanschouwing ontwikkelen zich dan alle meetkundige vormen en wat hieruit voortvloeit. Dit vermogen der aanschouwingskracht voert ons door het vergelijken der dingen, ook buiten de regels der meetkunst, tot vrijere nabootsing der verhoudingen, tot de teekenkunst; en eindelijk maken wij van de teekenkunst gebruik bij de s c h r ij f k u n s t.

In het hoofdstuk over de meetkunst wordt het A B C der aanschouwing, waarvan wij boven spraken, ontwikkeld. Volgens P. berust de meetkunst op dit ABC. Men begint met de rechte lijn in verschillende richtingen te laten aanschouwen. De rechte lijnen worden onderscheiden als waterpas, loodrecht en schuin. De schuine als [stijgend en dalend, dan rechts en links stijgend, rechts en links dalend. Vervolgens worden de verschillende soorten van evenwijdige lijnen onderscheiden. De lijnen worden vereenigd tot hoeken en verdeeld in rechte, scherpe en stompe hoeken. Na de hoeken volgt het vierkant, dat doorP. als de grondvorm van alle meetkundige vormen wordt beschouwd. Het vierkant wordt verdeeld in halven, kwarten en zesden. Zoo wordt ook gehandeld met den cirkel en het ovaal.

Op drieërlei wijze wenscht P. bij het gebruik van het bedoelde A B C te handelen.

H\j wenscht in de eerste plaats, dat de kinderen die vormen goed zullen leeren kennen en benoemen. Verder wenscht hij de verkregen kennis toe te passen door het opzoeken en benoemen van voorwerpen, die öf vierkant, öf rond, öf ovaal, öf breed, öf lang, öf smal zijn. In de derde plaats worden de vormen nageteekend, waardoor de kinderen allengs in staat zijn, van elk ding nauwkeurig den vorm te noemen en de afmetingen te schatten.

Het zal uit het bovenstaande duidelijk zijn, dat de oefeningen in het meten en het opsporên van vormen, zooals die door C r i t a s in „Het metriekstelsel" zijn ontwikkeld, grootendeels ontleend zijn aan P's „Hoe Geertrui haar kinderen onderwijst".

Over de teekenkunst treedt P. niet in bijzonderheden. De teekenkunst moet met de meetkunst geleidelijk van stap tot tot stap voortschrijden. Zoodra de kinderen de waterpaslijn, waarmee het ABC der aanschouwing begint, juist kunnen teekenen, moet men allerlei figuren bedenken, waarvan de omtrek slechts weinig van

M. H. Lem, Opvoedkundigen. 13

Sluiten