Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overgegaan tot het schrijven van kleinschrift met pen en inkt.

P. is van ooideel, dat elke moeder, als zij maar nauwkeurig zijn voorschi iften volgt, in staat is haar kinderen schrijven te leeren. Hij wordt, als hij dit neerschrijft, zelfs tot verontwaardiging bewogen, bij de gedachte dat men zou willen beweren, dat de moeders het niet zouden willen doen. „Zelfs heidenmoeders zou ik er toe weten te bewegen en zouden dan Christenmoeders het weigeren ?"

Staat het schrijven, door het teekenen der letters op de lei, met het teekenen in verband: als men het verstandelijk schrijven in het oog vat, kan men het als een soort van spreken beschouwen. „Het schrijven-leeren komt in de derde plaats als een soort van spreken-leeren voor. Het is echter ook in zijn wezen niets anders dan een bijzondere vorm en beoefening dezer laatste kunst." Wat dus bij het spreken geleerd is, wordt bij het schrijven nader toegepast.

„Ik gaf hun het woord driehoekig op en zij schrijven met behulp van den dorpsschoolmeester de volgende bepalingen op : Driehoekig: de driehoek, het lood of waterpas, de halve halsdoek, de schrijnwerkers winkelhaak, een zeker soort van vijlen, de bajonet, het prisma, de beukenoot, het schraapijzer van den plaatsnijdei, de wond van den steek van den bloedzuiger, de boekweitkorrel, de passer, het onderste gedeelte van den neus, het blad van de spinazie, het zaadhuisje van de tulp, het cijfer vier en de vrucht van het herderstaschje. Zij vonden nog meer driehoekige figuren aan tafels en vensters, waarvoor zij echter geen namen wisten".

Gaan wij tot den negenden brief over, waarin P. over het getal handelt.

Getal is volgens P. wel het belangrijkste van alle onderwijsmiddelen. „Spraak en vorm dragen den kiem van dwaling en vergissing zeer vaak en op verschillende wijze met zich om. Het getal nooit; dit alleen leidt tot onbedrieglijke resultaten en al mag ook de meetkunde dezelfde aanspraak doen gelden, dan moet dit alleen hieraan worden toegeschreven, dat de rekenkunde haar ter zijde staat en zich met haar vereenigt: zij is onbedrieglijk, omdat zij rekent".

Na de inleiding over het getal in het algemeen, gaat P. nader op het wezen der rekenkunde in. „Zij ontstaat uit de eenvoudige samenstelling en splitsing van meerdere eenheden. Haar grondvorm is in haar wezen slechts: één en één is twee en één van twee blijft één. Elk getal, wat het ook moge zyn, is

13*

Sluiten