Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

intellectualistische opvoedkunde wordt genoemd. Dat zedelijk inzicht ontstaat door het onderwijs. Het onderwijs moet gelegenheid bieden tot het vellen van oordeelen over menschelijke handelingen. Zooals uit onze aanhaling blijkt, moeten die oordeelen niet worden geveld over handelingen van den kweekeling zelf, maar over handelingen van denkbeeldige of histoiische peisonen. t Is daarom dat de aanhangers van Herbart naar aanleiding van sprookjes, het Robinson-verhaal of de geschiedenis den leerling tot oordeelen over zedelijke handelingen willen in staat stellen. Herbart noemt dergelijke oordeelen aesthetische oordeelen.

Aesthetische ooideelen zijn volgens hem oordeelen over het goede en het schoone. Bepaalde verhoudingen tusschen twee willen behagen of mishagen absoluut. Evenmin als een professor in de muziek de schoonheid van een klank kan bewijzen, is het mogelijk het schoone of het leelijke van een wilsverhouding aan te toonen. Het behagen of mishagen wordt in een oordeel neergelegd en het ooi deel blijft zuiver aesthetisch, zoolang de oordeelende persoon dit oordeel nog niet toepasselijk acht op zich zelf.

Zooals wij boven schreven, is volgens Herbart het aesthetische oordeel absoluut zeker. Hij schrijft zelf dienaangaande: „Dat de smaak onzeker is, weet men naar ik hoop, alleen uit de ervaring. En stellig slechts uit ervaringen van afwijkende oordeelen over zeer samengestelde voorwerpen, over geheele werken van kunst of natuur. Er is zelfs geen twijfel aan, of het aantal diei ervaringen zou nog toenemen, als men voorbeelden van goede en slechte karakters, zooals zij wel in tooneelspelen voorkomen, aan een beoordeeling onderwierp. Wij hebben echter hoop de oorzaken der onzekerheid te zullen ontdekken, zoodra de grondoordeelen beslist zullen uitgesproken zijn. Deze worden wel uitgelokt door het aesthetisch totaal-effect van samengestelde werken, maar zij kunnen niet afzonderlijk te voorschijn komen; zelfs is het mogelijk, dat zij met elkaar in strijd geraken, bijaldien het werk niet klassiek is. Dit geldt voor alle kunsten: voorwerken van poëzie, schilder- en beeldhouwkunst of muziek evenzeer als voor de algeheele zedelijke denkwijze van menschelijke karakters." J)

Johann Friedrich Herbart a Allgemeine praktische Philisophie Dritte Ausgabe bl. 12.

Sluiten