Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Om in het algemeen een waardeeringsoordeel over het schoone en goede zuiver te verkrijgen, moet men goed letten op het veranderlijke der toestanden, waarin het gemoed daardoor verplaatst wordt. Dat veranderlijke moet men afzonderen: het behoort niet tot het wezen van den smaak. Maar de opvatting van het voorwerp moet zoo scherp mogelijk blijven, want anders kan er niet geoordeeld worden. Noch de eerste noch de laatste gewaarwordingen, die een kunstwerk in ons doet ontstaan, zijn zuiver aesthetisch; de eerste niet, omdat het voorwerp nog niet volkomen wordt begrepen, omdat de massa nog drukt; de laatste niet, omdat de opmerkzaamheid vermoeid is geraakt en verdwijnt." *)

In het bovenstaande vinden wij uitgedrukt, waarin het gemeenschappelijke van de aesthetische oordeelen in ruimeren zin en van de ethische oordeelen volgens H. is gelegen. Waarin ligt volgens H. het verschil ? Wij weten reeds, dat de ethische oordeelen uitsluitend betrekking hebben op verhoudingen tusschen verschillende vormen van den wil. Maar dit is niet het eenige. Het ethisch oordeel onderstelt een aesthetisch oordeel en is er het gevolg van. Een ethisch oordeel eischt inkeer tot zichzelf, beoordeeling van den eigen wil. Zoolang namelijk een persoon slechts den wil van een ander beschouwt, zonder er aan te denken, dat dit oordeel ook zijn eigen wil moet gelden, oordeelt hij nog alleen aesthetisch. Het aesthetisch oordeel gaat dus eerst in een ethisch oordeel over, als de persoon zijn eigen wil beschouwt en zichzelf afvraagt: kan het zoo blijven of moet het anders worden? waardoor dus dit oordeel richtsnoer wordt voor zijn handelen. Wij merken dan ook bij kinderen vaak op, dat zij soms reeds zeer nauwkeurig anderen beoordeelen, zonder er aan te denken, dat dit oordeel ook op hen toepasselijk is.

Het kind moet dus en dit blijkt ook uit onze aanhalingen, reeds gewild hebben, voor er van ethische oordeelen sprake kan zijn: zijn neigingen en gewoonten moeten reeds een bepaalde richting genomen hebben. Hoe denkt H. zich dit? Herbart onderscheidt een subjectief en een objectief karakt e r. Hij behandelt het verschil tusschen beide in het derde hoofdstuk van de derde afdeeling van het tweede deel. Wij dienen er hier reeds over te spreken.

H.'s opvoedkunde is intellectualistisch, want het willen vindt vol-

!) T. a. p. bl. 13.

Sluiten