Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gens hem zijn eenigen grond in het voorstellen, of zooals H. het uitdrukt: in elke voorstellingsmassa kan een willen liggen. Nu spreken wij nog wel nader over H.'s apperceptie-theorie, maar hier moet reeds worden vermeld, dat hij onder apperceptie verstaat, het gelijktijdig bewust worden en de wederzijdsche inwerking van oudere en nieuwere voorstellingen. De nieuwere voorstellingsmassa wordt dan opgenomen in de oudere. Dit moet derhalve volgens Herbarts theorie ook bij het willen gebeuren. Dan kan het plaats hebben, zooals H. zegt, dat vaak een willen het andere wil of niet wil. Daardoor beveelt de mensch zich zelf, tracht zich zelf te beheerschen. „Bij die pogingen maakt hij zich zelf meer en meer tot object van zijn waarneming. Dat deel van zijn willen, dat hij bij deze zelfwaarneming als reeds aanwezig aantreft, noemen wij het objectieve deel van het karakter. Het nieuwe willen echter, dat eerst in en met de zelfwaarneming ontstaat, moet in tegenstelling tot het eerste het subjectieve deel van het karakter heeten.

„Dit tweede deel kan eerst op rijpen leeftijd tot volkomen ontwikkeling geraken, maar de beginselen vallen reeds in den knapenleeftijd, en gewoonlijk treden zij bij de jongelingen snel groeiend te voorschijn, ofschoon zij bij onderscheidene individuen Haar wijze en sterkte verschillen."

Tot het objectieve deel van het karakter behooren het temperament, de neigingen, de gewoonten, begeerten en affecten. In het subjectieve deel van het karakter vormen zich algemeene begrippen en als het tot rijpheid komt voornemens, maximen, grondbeginselen.

Het objectieve deel van het karakter komt moeilijk tot overeenstemming met zich zelf. Dit gebeurt alleen dan gemakkelijk, indien de kweekeling zich gelijk blijft in zijn willen en niet gedreven wordt door luimen en invallen. „Een zoodanige gelijkvormigheid, die geen „Anstrengung" noodig heeft, kan men met de uitdrukking geheugen van den wil aanduiden."

Heeft nu de leerling door het onderwijs slecht en goed willen, leeren onderscheiden, is hij tot de aesthetische beoordeeling gekomen, en is die beoordeeling met de algeheele belangstelling saamgeweven, dan komen bij de loffelijke trekken van het objectieve deel van het karakter, de goede voornemens die tot het subjectieve deel behooren. Dan eerst kan men zeggen, dat de practische ideeën richting geven aan het willen van den mensch.

In de aanhaling die wij gaven, wordt van de praktische

Sluiten