Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ideeën gesproken. Hieronder verstaat H. de grondslagen van het goede, dieonmiddellijkuit de wils verhoudingen die absoluut behagen, worden afgeleid en middellijk uit de verhoudingen die mishagen.

Wie nauwkeurig leest, zal bemerken dat H. t w e e vormen van praktische ideeën (bl. 212 en 213) onderscheidt. De grondbegrippen van het goede toch gelden niet alleen voor den wil van een bepaald persoon, maar zijn de vorm voor eiken mogelijken wil. Zij zijn dus de maatstaf zoowel voor den enkelen mensch als voor een gemeenschap. De praktische ideeën, voor zoover zij de maatstaf zijn voor den enkelen mensch, heeten oorspronkelijke ideeën; voor zoover zij de maatstaf zijn voor een gemeenschap, afgeleide of maatschappelijke ideeën.

De eerste oorspronkelijke idee is de idee der innerlijke v r ij h e i d, de overeenstemming tusschen inzicht en wil; de tweede idee is die der volkomenheid, volgens welke idee het willen sterk en verstandig behoort te zijn; de derde idee is die der welwillendheid, die tot eisch stelt zich aan anderen te geven, te wijden; de vierde idee is die van het recht, die tot eisch stelt strijd te vermijden door vaststelling van een overeenkomst, die steeds moet worden nageleefd ; de v ij f d e idee is die der billijkheid die verlangt dat het ontvangen goede zal worden vergolden en het kwade door een onpartijdigen derde bestraft.

De afgeleide of maatschappelijke ideeën worden gewoonlijk in omgekeerde orde genoemd. De idee der rechtsmaats c h a p p ij is de idee van het recht toegepast op het maatschappelijk leven; de idee van het vergelding s- of loonsysteem is de idee van de billijkheid in haar toepassing op de maatschappij; de idee van het bestuurssysteem de idee der welwillendheid, de idee van het beschavingssysteem de idee der volkomenheid en de idee der bezielde maatschappij de idee der innerlijke vrijheid op de samenleving toegepast.

Behalve de leer der ideeën en H.'s denkbeelden omtrent de karaktervorming bevat bovenstaande aanhaling nog een andere belangrijke passage. Uit de passage blijkt dat H. evenals Rousseau een voorstander der n a t u u r 1 ij k e straffen is. Wij komen hierop later nader terug en zullen thans tot het volgende hoofd-

Sluiten