Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het kinderachtige komt bij de minste aanleiding weer voor den dag."

Na zoo den gang der kinderlijke ontwikkeling geschetst te hebben, wijst H. er op, dat de bekende namen der zielsvermogens weer een eenigszins andere beteekenis krijgen, als het eigenlijke onderwijs begint. Gedurende dien tijd van het eigenlijke onderwijs kan men een eigenaardig verschijnsel opmerken.

„De zonderlinge tegenstrijdigheid ontstaat nu, dat sommige kweekelingen veel geheugen, veel phantasie, veel verstand vertoonen in hun kring, terwijl de onderwijzers en de opvoeders hun hiervan weinig toekennen. Zij heerschen zelfs als de verstandigsten in hun kring, zij bezitten ten minste de achting van hun speelmakkers, terwijl zij gedurende de lessen tot niets in staat zijn. Dergelijke ervaringen maken duidelijk, hoe moeilijk het is, het onderwijs behoorlijk te laten ingrijpen in die eigen ontwikkeling van het kind. Tegelijkertijd bemerkt men, dat in bepaalde voorstellingsmassa's gebeurt, wat men gewoon is toe te schrijven aan de afzonderlijke zielsvermogens.

„Zooals de man afzonderlijke voorstellingsmassa's heeft voor de kerk, voor zijn beroep, voor gezelschappen enz., die wel gedeeltelijk in elkaar grijpen en elkaar wederkeerig bepalen, maar bij lange na niet in alle deelen volledig samenhangen; zoo heeft reeds de knaap zijn voorstellingsmassa's voor de school, andere voor den familiekring, andere voor de speelplaats enz. Hieruit moet veeleer dan uit opzettelijke achterhoudendheid, verklaard worden, dat men van een kind beweert, dat hij onder vreemden heel anders is dan thuis of op school."

Nadat H. een zielkundige poging tot verklaring van bovenstaande verschijnselen gegeven heeft, besluit hij aldus:

„De vormbaarheid is dus niet afhankelijk van een betrekking tusschen verschillende oorspronkelijk verschillende vermogens der ziel, maar wel van een betrekking tusschen de reeds verworven voorstellingsmassa's."

In het bovenstaande vinden wij weer één der hoofdzaken van H. s stelsel aangegeven en tevens ligt daar naar onze meening wel de groote beteekenis van H. voor onze opvoedkundige theorie en practijk.

Vóór H. gold op zielkundig gebied algemeen de vermogenstheorie, d.i. de hypothese, die aan de menschelijke ziel verschillende vermogens toeschreef en de zielkundige verschijnselen

Sluiten