Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uit de jui eens afzonderlijke dan weer gemeenschappelijke werkzaamheid dier vermogens trachtte te verklaren.') Ofschoon er in die theorie vee! waars was, bleek zij toch een hinderpaal voor verder wetenschappelijk onderzoek. Met de aanneming dier vermogens achtte

men zich van verdere pogingen tot ontleding der verschijnselen ontslagen.

H. was de eerste die tegen de vermogenstheorie den strijd aanbond. Hiermee heeft hij een zeer verdienstelijk werk verricht in het bijzonder voor onze opvoedkundige praktijk. Onder den invloed toch der vermogenstheorie is op onze scholen heel veel tijd vermorst met het zoogenaamde aanschouwingsonder wijs, geheugenoefeningen en denkoefeningen en evenzeer meende men door één soort van handenarbeid algemeene handvaardigheid te verkrijgen.

Door H. en de Herbartsche school is men gaan inzien, dat men zich aan voorbarigheid schuldig maakt door te beweren, dat het waarnemingsvermogen, het geheugen, de verbeelding, het verstand geoefend worden als het onderwijs gelegenheid biedt tot waarnemen, onthouden, phantaseeren en denken. Men is gaan begrijpen, dat men slechts dan recht heeft aan te nemen, dat het kind door het onderwijs beter geschikt geworden is voor de een of andere geestelijke verrichting, als men aantoonen kan dat aan bepaalde voorwaarden is voldaan.

Uit de aanhaling blijkt tevens dat H. van oordeel is, dat het grooter worden in bepaalde gevallen van de geestelijke geschiktheid, slechts toe te schrijven is aan de aanwezigheid van bepaalde voorstellingen, of zooals H. het uitdrukt: in bepaalde voorstellingsmassa's gebeurt, wat men gewoon is toe te schrijven aan afzonderlijke zielsvermogens. Dit was H.'s eenzijdigheid, maar hierin lag ook zijn kracht, want hij zou zeker niet de krachtige bestrijder der vermogenstheorie zijn geweest, had hij niet met volle overtuiging geloofd aan zijn voorstellingstheorie.

H. was in dit opzicht eenzijdig, want door het onderwijs kunnen, als aan bepaalde voorwaarden is voldaan: waarnemingsgewoonten, herinneringsgewoonten, phantasiegewoonten, denkgewoonten, ge-

Z'elkundige theorieën verwijzen wy naar : Leerboek der zielkunde door \\. Wundt — II. H. Lem, blz. 11—22.

Voor het verband van de vermogenstheorie met onze opvoedkundige practijk naar: Grondbeginselen der opvoedkunde door 31. H. Lem, blz. 136—164.

Sluiten