Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dei kinderlijke ontwikkeling, want het is vrijwerkzame opbouwing van het innerlijke leven, de opbouwing van het innerlijk leven uit noodzakelijkheid en behoefte van het innerlijk leven zelf." „Het spel van dezen tijd is geen spelerij, het heeft hoogen ernst en diepe beteekenis; verzorg en kweek het moeder, bescherm, be. hoed het vader!"

Zoowel in het tweede hoofdstuk (de mensch in de periode zijner vroegste kindsheid) als in het derde hoofdstuk (de mensch als knaap) tracht Fröbel ons het wezen van den mensch in die perioden van het leven te schilderen en geeft hij tevens aan, hoe een verstandige moeder en vader handelen, om overeenkomstig de geaardheid van het kind hem te ontwikkelen. Fröbel geeft hierbij blijk van dieper wetenschappelijk en paedogogisch inzicht dan R o u s s e a u. Deze ging uit van de bekende, maar zooals hij ze opvatte, onware stelling: „Alles is goed, zooals het komt uit de handen van den Schepper". Hij oordeelde, dat de mensch onbedorven wordt geboren en dat wij, als we slechts de goede wijze van opvoeding in toepassing brengen, zeker ook het doel, dat we ons gesteld hebben, kunnen bereiken. Fröbel vroeg zich eiken keer af, wat leert de waarneming mij omtrent de geaardheid, de behoefte van het kind in de verschillende perioden van het leven, om nadat dit voor hem vaststond te bepalen, hoe met het kind moest worden gehandeld. Voorzeker is de laatste weg de eenig ware: eerst kinderstudie en dan opvoeden.

De knapenleeftijd, dit leerde de kinderstudie aan Fröbel, is de tijd, waarin het kind behoefte begint te krijgen aan onderwijs: het vierde hoofdstuk doet ons dan ook Fröbels didactische denkbeelden kennen. Onder den titel: de mensch als leerling, zet hij uiteen, van welken aard het eerste onderwijs gedurende den knapenleeftijd zijn moet. Niet ongepast zou de titel van dit allerbelangrijkste hoofdstuk (bijna 200 bladzijden groot) kunnen luiden: het onderwijs gedurende de eerste twee leerjaren. Het hoofdstuk is in vier hoofddeelen gesplitst: 1 Wat is een school? 2 Wat moet op scholen worden onderwezen? 3 Over de hoofdgroepen van het onderwijs, 4 Ovei het verband tusschen huis en school en de leerstof, die op giond van dit verband moet geeischt worden.

Bij de bepaling van de leerstof voor de eerste twee leerjaren gaat Fröbel van twee gezichtspunten uit. Allereerst vraagt hij zich af, wat het kind als knaap behoeft? Het

Sluiten