Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schapen voor zich heeft of een compagnie soldaten, maar zooals een vader zijn zonen moet de onderwijzer zijn leerlingen met de natuur in aanraking brengen en - de dorpsschoolmeester mag dit evenmin verzuimen, als de meester in de stad.

Wat Fröbel onder den naam „beschouwing van natuur en buitenwereld samenvat is meer van stelselmatigen aard. Hij begint met het woonvertrek en keert er aan het eind der eschouwing weer toe terug. Achtereenvolgens behandelt hij het vertrek, het huis, de tuin, het gehucht, het dorp, (stad), weide, veld, woud, omgeving. De bedoeling is niet zoozeer de verschillende dingen in al hun eigenschappen te leeren kennen, dan wel e weten, wat er alzoo in die allengs ruimere omgevingskringen wordt gevonden, in welke verhouding die dingen tot elkander staan en tot welke groepen ze kunnen worden vereenigd.

Zoo worden onderscheiden : de deelen van het vertrek, de deelen van het huis, het huisraad, keukengereedschap, tuingereedschap soorten van huizen enz. Zoodra de leerlingen met alle deelen van hun omgeving bekend zijn moet het eigenlijk aardrijkskundig onderwijs als een zelfstandig leervak zich uit dit eerste omgevingsonderwijs ontwikkelen. Niet ongepast zou het derhalve zijn hier van aardrijkskundig aanschouwingsonder wijs te spreken. Fröbel zegt dan ook nadrukkelijk, dat de beschouwing van de buitenwereld den grondslag vormt van alle

^ V ! ! a f k ° " d 6 r w ij s <aegenstands- und Sachkenntnisse). Nadat de kinderen de deelen van hun omgeving hebben leeren ennen, worden de dingen, die in die omgeving worden gevonden, nader onderzocht. Ze worden gesplitst in de twee hoofdgroepen • natuurvoortbrengselen en kunstvoortbrengselen (Menschenwerke) en tusschen die beide worden als overgang die dingen geplaatst, welke gedeeltelijk aan de natuur en gedeeltelijk aan den mensch hun oorsprong danken: wijnbergen, veredelde vruchtboomen enz. (natuur-kunstvoortbrengselen of natuurmenschenwerken). Als verdere groepen noemen wij dieren, planten, delfstoffen, natuurverschijnselen, huisdieren, velddieren, wouddieren, kamerplanten, tuinplanten, enz. Fröbel wijst er op, dat het hier bedoelde onderwijs zich later ontwikkelt tot natuurbeschrijving, natuurlijke historie en natuurkunde. Wij zouden het derhalve op dezen trap natuurkundig aanschouwingsonderwijs kunnen noemen.

Na de natuurvoortbrengselen worden de kunstvoortbrengselen (menschenwerken) nader beschouwd. Bij deze laatste is het echter

Sluiten