Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de tweede. De vorm is gelijk, maar in elk ander opzicht verschillen zij. Weer tegenovergesteld (tegengesteld-gelijk) aan den houten bol, is de houten kubus, want hier is slechts overeenstemming in stof, maar al het andere is ongelijk. De bol heeft één vlak, de kubus meer; de bol geen ribben, de kubus wel; de bol geen hoeken, de kubus wel; de bol kan rollen en is steeds in bewegelijke rust; de kubus staat vast, kan slechts geschoven en geworpen worden en is niet gemakkelijk beweegbaar. Tegelijkertijd vormt de houten bol van de tweede gave een verzoening tusschen de bijna volkomen tegenstellingen: wollen bal en houten kubus. Met den houten kubus heeft zij de stof en met den wollen bal den vorm gemeen.

„Bol en kubus" zijn echter, zoo schrijft Fröbel, „zooals men gemakkelijk kan zien en begrijpen en nog gemakkelijker bewijzen, zuiver en veelvuldig tegengesteld-gelijk. Voor zulke dingen eischt echter het alzijdig wezen en de alzijdige natuur van het kind zooals evenzeer gemakkelijk kan worden opgemerkt en even gemakkelijk kan worden bewezen, de verzoening."

De verzoening tusschen bol en kubus wordt gevormd door de rol: de rol kan rollen als de bol en vaststaan even als de kubus enz.

„Daar de rol echter geen hoeken heeft en niet kan draaien om een punt, zoo eischt de rol wederom een lichaam, dat de drie eigenschappen der drie lichamen (hoeken, lijnen, vlakken, zoowel rechte als gebogen) verzoent en dat is de draaiende kegel.

Het is zeker in het algemeen wenschelijk ook de kegel aan de drie genoemde lichamen toe te voegen, al begaat Fröbel in zijn motiveering een fout met de verklaring, dat een rol niet op een punt kan draaien en al zullen wij natuurlijk niet instemmen met zijn meening, dat het voor de gemoedsrust der leerlingen noodzakelijk is, dat de tegenstellingen worden verzoend.

De derde speelgave bestaat uit een kubus, die in acht kleinere kuben verdeeld is. We zullen nu hier niet aangeven, in hoever ook deze speelgave voldoet aan het beginsel der ontwikkeling in tegenstellingen. Wij gelooven in het voorgaande Fröbels bedoeling voldoende te hebben duidelijk gemaakt. Op één eigenaardigheid bij het spelen met Fröbels gaven moeten wij echter hier nog wijzen, waarop ook wel reeds volgens de bedoeling van den opvoeder bij de behandeling der eerste twee gaven moet worden gelet, maar die toch duidelijker bij de derde en volgende gaven, dan bij de eerste twee uitkomt. Fröbel eischt namelijk,

Sluiten