Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is geheel specifiek verschillend van de tweede, laat staan, dat er slechts een gradueel verschil tusschen beide bestaan zou. Wij voo' ons kunnen dan ook niet begrijpen, hoe het nagaan van handelwijzen in het algemeen, zoo bij menschen als bij dieren, ons iets zal kunnen zeggen omtrent ethische handelwijzen. Als niet-ethische handelwijzen evolueeren, behoeft daar nog niet uit te volgen, dat dit ook met ethische handelwijzen het geval is, en al is het laatste waar, dan is het daarom niet noodzakelijk, dat de gang der evolutie van de eerste soort van handelwijzen dezelfde is als van de laatste soort.

Maar laat S. ons weer zeggen, hoe handelwijzen evolueeren. Hij gaat na, hoe wij naarmate men tot hoogere diersoorten overgaat, telkenmale bemerken, dat de verrichtingen steeds meer en meer geschikt worden voor de doeleinden. En bij den mensch merken wij op, dat de geschiktheid van verrichtingen voor bepaalde doeleinden talrijker en beter is dan bij de lagere zoogdieren ; terwijl tevens hetzelfde feit te constateeren valt, wanneer wij de vei lichtingen van de hoogere menschenrassen vergelijken met die van de lagere. Hij trekt hieruit het besluit, dat de vermeerdering van het leven zoowel van het individu als van de nakomelingschap grooter wordt, naarmate men hooger stijgt, naarmate de verrichtingen beter passen bij de doeleinden.

Verder betoogt hij dan, dat de meest ontwikkelde handelwijze, die alleen dient, om het leven van het individu en van de soort te doen toenemen, nog lang niet de hoogst ontwikkelde handelwijze is. Want wij bemerken, dat individu zoowel als nakomelingschap te lijden hebben, wanneer machtiger individuen hen gebruiken, om zelf hooger te stijgen. Daaruit volgt, dat de hoogst ontwikkelde handelwijze slechts kan bestaan, als er geen strijd is tusschen twee groepen van individuen en tusschen de leden van een groep. De limiet van evolutie kan dus slechts bereikt worden in vereenigingen, waar steeds vrede heerscht. Daarom moet elk zijn doel trachten te verwezenlijken, terwijl men tevens elkaar wederkeerig hulp verschaft om dat te bereiken, en het is nog niet voldoende, dat men elkaar hoogstens niet verhindert om er toe te geraken. Handelwijzen nu die dienen, om het leven van het individu, van de nakomelingschap en van den medemensch te doen toenemen, woiden volgens S. steeds goed genoemd en de tegenovergestelde slecht, en hij trekt hieruit het besluit, omdat vermeerdering van leven volgens hem geluk is, dat daden zedelijk zijn

Sluiten