Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van S. heeft men echter gemeend, dat aan de natuurkundige wetenschap ook voor de lagere school dezelfde waarde moest worden toegekend. De leerling der lagere school is echter tot zelfstandig onderzoek niet in staat en daarenboven wordt de behandeling tot een parodie van een wetenschappelijke behandeling. In plaats van denken te leeren, wordt de leerling verleid tot oppervlakkigheid, tot oordeelen zonder voldoende gegevens.

Maar S.'s pleidooi voor de exacte wetenschap is daarenboven eenzijdig. Ook taalstudie geeft gelegenheid tot v e r s t a n d e 1 ij k memoriseeren en denken en levert veel minder kans tot oppervlakkig oordeelen ; omdat zij een veel minder omvangrijk materiaal ter bewerking biedt. Daarenboven denkt S. alleen aan den vorm van de taal en niet aan haar inhoud. Zelfs met de paradoxen van S. zou men niet kunnen volhouden, dat de inhoud van letterkundige voortbrengselen minder waarde heeft voo' de ideëele vorming, dan de studie der natuurkunde.

Zoo staat het ook met de classificatie der hoofdverrichtingen van het menschelijk leven. Men moet het gemoed wel ver ten achter stellen bij het verstand, om aan de handelingen die tot be\lediging van smaak en gevoel strekken geen grooter waarde toe te kennen dan een vulling van ledige uren. In S.'s heele betoog staat het nut te zeer op den voorgrond en worden daardoor de eischen van het gemoed schromelijk miskend.

In het tweede hoofdstuk, over de verstandelijke opvoeding, verkondigt S. denkbeelden die minder van de gebruikelijke afwijken. Hij is een tegenstander van de dogmatische en een voorstander van de heuristische methode, wat ook niet te verwonderen is van den man, die de exacte wetenschap zoo hoog stelt. Verder gaat hij met Pestalozzi mee, dat de opvoeding in haar voortgang en haar methode met het natuuilijk proces der geestelijke ontwikkeling moet overeenstemmen. Om uit dit algemeen beginsel tot bepaalde bijzondere vooischiiften te kunnen besluiten, zou de zielkundige wetenschap over meerdere gegevens moeten kunnen beschikken dan thans ïeeds het geval is. rocli oordeelt S. dat de ervaring reeds voldoende uitspraak heeft gedaan, om bepaalde beginselen te kunnen vaststellen.

„1. Dat wij in de opvoeding van het enkelvoudige tot het samengestelde moeten voortschrijden, is een waarheid waarnaar

Sluiten