Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE HOOFDSTUK.

„Het is toch jammer, dat uw vader zulke strenge vooroordeelen koestert," sprak Willem van den Honert, zoodra hij zich met Herman op weg bevond : ,,Wij hebben toch al weinig lieden om mede om te gaan, en het zou vrij wat prettiger voor ons allen wezen, als wij met elkaar op vriendschappelijken voet verkeerden."

„Dat zou het zeker,'' beaamde de toegesprokene met een snel bedwongen zuchtje : „maar vader houdt nu eenmaal niet van de Engelschen, en men kan zeker zijn er altijd, op welk uur van den dag dan ook, bij u aan te zullen treffen."

„Zendelingen, Herman, geen gewone Britten. Gij weet hoezeer mijn vader het zendingswerk ter harte neemt. Hij kan de gedachte letterlijk niet dragen dat de zwarten, die toch reeds zooveel missen in vergelijking van ons, nog altijd het heidendom aan zouden kleven. Jaarlijks geeft hij duizenden uit aan het werk der

Sluiten