Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bekeering onder hen ; geen wonder dus dat de Evangelisten bij ons aankloppen."

Herman wierp hem een eenigszins spottenden blik toe.

„En zijt gij even bezorgd voor het zieleheil der Kaffers?" vroeg hij.

,,0 !" stamelde Willem verlegen : ,,Ik wenschte niets liever dan dat zij zich allen tot het christendom bekeerden ; maar ik ben zelf nog wat jong om nacht en dag met die zaak bezig te zijn, zooals mijn vader."

„Dat zou ik ook denken," lachte zijn metgezel : „Wat men mij omtrent de schoone Djaguna vertelde, geleek ten minste al heel weinig op zendingsarbeid."

„Djaguna ?" herhaalde van den Honert langzaam : „wat heeft men u van haar gezegd ?"

„Wel! Dat gij haar hadt opgemerkt. . .

„En verder ?"

„Wat niet tot het geluk van het arme meisje gediend had."

„Gekheid ! Zulke dingen komen dagelijks voor. Waarom zou men er dan nog over praten?"

„Zij gaan mij ook niet aan," sprak Moorbreggen, plotseling heel ernstig : „mits men niet den schijn tegenover mij aanneemt zelf reeds zoo goed als een zendeling te zijn. Wie preken wil, moet allereerst door zijn leven een voorbeeld geven; zoo denk ik er over althans."

Sluiten