Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de meeste jongelieden met iets als vrees tegen hare meerdere beschaving en buitengewone geestesontwikkeling opzagen, en zij haastte zich op nog vriendelijker toon te vervolgen :

„Ik hoop dat wij u niet lang overlast zullen behoeven te geven. Mijnheer Ainstowe, die mij vergezelt, is een kundig dokter, en zal ons terstond weten te zeggen of vader naar huis mag worden vervoerd ; ik hoop van ganscher harte dat dit het geval moge wezen."

Herman had zich intusschen hersteld en verzocht haar met hem tot den zieke te gaan. De heer Ainstowe kon haar vergezellen, maar voorzichtigheidshalve was het beter dat Willem hen in de zitkamer opwachten zou.

De jonge Boer zag zijne bezoekster niet aan bij het uiten dezer woorden, doch haar gelaat stond hem weer duidelijk voor oogen, alsof hij den blik nog op haar gevestigd hield. Hoe bebespottelijk kwam hij zichzelf thans voor, bij de herinnering aan zijne tot Willem gerichte vraag of zij mooi was. Was zij eene vrouw van wie men dit vragen kon ? Hij wist het zelf niet te bepalen of zij verblindend schoon of wel leelijk mocht heeten ; maar het was niet mogelijk haar weer te vergeten na haar eenmaal te hebben aanschouwd ; hare oogen schenen van een dubbel licht te stralen, de donkere kringen, die hen omgaven, deden hen nog glansrijker

Sluiten