Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar bedwong die opwelling en mompelde tot afscheid een paar onverstaanbare woorden, die zij met een hoofdknik beantwoordde.

Wat den zendeling betreft, hij blikte Moorbreggen op zijne trouwe wijze in de oogen en sprak :

,,Wij leven in ongelukkige tijden, maar het hart van den mensch blijft overal en altijd hetzelfde ; gij hebt ons dat bewezen met uwe goedheid jegens ons ; ik van mijne zijde hoop dat te doen door mij steeds erkentelijk jegens u te betoonen. Van nu af aan kunt gij vrij over mij beschikken, hetzij bij dag of nacht.

„Ik twijfel niet aan de oprechtheid uwer bedoeling," antwoordde Lodewijk : „en ik dank u voor dat woord. Goede reis nu ; gij hebt nog een langen weg af te leggen."

In gepeins verzonken staarde hij de langzaam wegrollende kar na, totdat Elisabeth zijn arm aanraakte en zeide :

„Kom, vader ; wat staat gij daar te droomen? Ik heb u al tweemaal verzocht mee te gaan. Binnen is de koffie gereed, die koud zal worden als gij niet komt, en Herman schijnt ook al in een zoutpilaar veranderd ; wat is er dan toch geschied ?"

„Ja, laat ons naar binnen gaan, vrouw," gaf de Boer ten antwoord, met de hand over het voorhoofd strijkende, als om eene donkere ge-

Sluiten