Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den ander wachtte ; als zij huiswaarts keerden van het veld wisten zij van elkaar wat zij wederkeerig hadden gezien of ontmoet; en toch was voor een van hun beiden op eenmaal alles veranderd, scheen het Herman toe als bewoog hij zich in eene hem onbekende omgeving, als had zijn bestaan eene duldelooze eentonigheid verkregen, als ware hij zelf in enkele dagen tot een volwassen man gerijpt, die zich onmogelijk langer tevreden kon stellen in deze eenzaamheid, aan de zijde alleen van twee zeer zeker geliefde wezens, maar die behoorden tot een anderen tijd als hij.

Boos op zichzelf over deze gevoelens, die hij met den naam van ondank bestempelde, trachtte hij hartelijker en eerbiediger dan ooit voor zijne ouders te zijn ; doch het kostte hem de grootste moeite een gebaar van ongeduld te bedwingen, wanneer Lodewijk Moorbreggen wederom tegen de Engelschen uitviel, of in bittere bewoordingen zinspeelde op het verblijf van Philias Norton onder zijn dak.

,,Ik zal, zoo waar, nog naar dien ellendeling toe moeten!" was de uitroep, waarmede de heer des huizes, den vijfden morgen na het vertrek zijner onwelkome gasten, binnentrad in het vertrek, waar zijne vrouw reeds bezig was Herman een kop koffie in te schenken.

Beiden keken hem verbaasd en vragend aan

Sluiten