Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo ver ging hunne schijnheiligheid, dat zij mij beloofden mij behulpzaam te zullen zijn in het zoeken naar de kleine, en toen was het mij onmogelijk mij nog langer te beheerschen. Ik nep hun toe dat zij leugenaars en bedriegers waren en dat ik nog woord voor woord kon herhalen wat er tusschen hen gesproken was."

„Dat was veel gewaagd, Djaguna. Ik had op dat oogenblik het gelaat van Baas van den Honert wel eens willen zien."

„Het joeg mij schrik aan, zoozeer was het op eens veranderd. Het was geheel en al verwrongen, en toen hij op mij toetrad, deinsde ik dan ook onwillekeurig terug ; maar zijne lange magere vingers sloten zich als ijzeren haken om mijn arm."

„Gij zult aanstonds zweren nooit eenig levend wezen te vertellen wat gij hebt gehoord/' sprak hij zacht maar dreigend.

„Dat zal ik doen, meester," gaf ik ten antwoord : „als gij mij eerst mijn kind hebt weergegeven."

„Uw kind ?" herhaalde hij schouderophalend • „Wat bekommert gij u om een pasgeboren wicht? De wereld is vol kinderen; zoo gij voor moedertje spelen wilt, kunt gij dat naar hartelust doen op ons erf, ons zult gij daarmede nog een grooten dienst bewijzen."

Sluiten