Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Maar zijt gij dan gekwetst, of wat is er ?"

,;Luister, Meester. Wij waren gekomen aan de Roode Tafel. Zoo gij weet waar zij legt, dan behoef ik u zeker niet de plek te beschrijven. De tafel staat op het smalle bergpad, dat daar juist zoo steil is, dat men slechts recht naar omlaag behoeft te kijken om het water der rivier vlak beneden zich in de diepte te zien stroomen. Ik was zonder argwaan en zegende den Baas in mijn hart, toen hij met zooveel medelijden sprak : ,,Uw geduld is, vrees ik, op een al te harde proef gesteld, kind; maar nu zijn wij aan het eind van onzen tocht. Ziet gij dat huisje daarginds tusschen het groen ? Uw dochtertje bevindt zich daar bij brave lieden."

„Maar, Meester," stotterde ik : „het is zoo donker ; het water alleen wordt door het maanlicht beschenen, omdat het daar open en bloot voortvloeit, maar hier, in het bosch? Ik kan niets ontdekken dat op een hut gelijkt."

„Ziet gij dan dat lichtje niet, Daar rechts, een weinig lager slechts dan wij ?"

Ik boog mij voorover zonder iets kwaads te vermoeden. Op hetzelfde oogenblik werd mij met iets heel zwaars een slag op het achterhoofd toegebracht en slingerde men mij de diepte in. Zoo ik niet halverwege de hoogte mijn val gebroken had gezien door ineengestrengelde boomwortels, zou ik verpletterd beneden zijn

Sluiten