Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Mijn allerlaatste. Gij behoeft nooit weder op de zaak terug te komen."

„Goeden nacht dan," klonk het met een gebroken snik : „Ik hoop voor u dat uwe hardheid van thans u nooit berouwen motje, vader."

En na zijne moeder zwijgend de hand te hebben gedrukt, naderde Herman de deur.

„Waar gaat gij heen ?" vroeg de Boer onrustig.

„Naar buiten ; ik zou op het oogenblik verstikken binnen vier muren."

„Ga dan; maar zoo gij uwe moeder lief hebt, blijf dan niet al te lang weg. Gij weet, zij maakt zich licht ongerust, en haar moogt gij geen angst aanjagen, want zij misdeed niets tegen u. Als ik haar raadpleegde, ik lees het in hare oogen, zoudt gij tevreden zijn. Dank den Hemel, jongen, dat ik meer doorzicht bezit en den moed heb, zelts tot wie mij het dierbaarst op aarde zijn, neen te zeggen, als dat moet wezen."

De jongeling stelde Elisabeth gerust met een blik, dien zij beantwoordde op eene onbeschrijfelijke wijze, met eene uitdrukking, die zoowel eene smeekbede als eene belofte inhield, en nauwelijks was hij dan ook verdwenen, of zij trad toe op haar echtgenoot, wiens hoofd voorover was gevallen op tafel.

Sluiten