Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Bewijs mij wat gij daar zegt," klonk het gebiedend.

„Gij kunt er mijn vader en onze bedienden naar vragen," antwoordde hij bedaard : „Allen kennen die geschiedenis ; maar ik begrijp zeer goed dat men er bij u op de hoeve niets van hooren wil."

„En wie doodde haar?" vroeg Eleanor, bereid haar echtgenoot tot het uiterste toe te verdedigen, indien men het wagen durfde hem te beschuldigen van eene dergelijke daad.

„Dat is onbekend ; waarschijnlijk haar zwarte aanbidder ; er bestaan des te meer gronden dit aan te nemen, waar hij haar, als hij haar nageslopen is, den dag van haar dood, in Herman's armen naar de hut heeft zien overdragen. Tegen zijn vroegeren medeminnaar heeft hij niet durven optreden ; het arme meisje daarentegen was slechts eene al te gemakkelijke prooi."

Eleanor wendde zich, trillend van verontwaardiging, naar hem om.

„Haal de anderen in, zoo gij dat verkiest," zeide zij driftig : „Ik zal alleen huiswaarts keeren, want ik wensch u geen seconde langer aan te hooren. Al wat gij mij omtrent dat meisje zegt is een leugen, bestemd om het beeld van mijn man in mijn hart af te breken, wat u nooit gelukken zal."

„Gij zijt onrechtvaardig, schandelijk onrecht-

Sluiten