Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vroeg of laat, eens moet de zondaar vernederd worden, omdat elk zondaar hoogmoedig is: maar die vernedering doet geen nut, dan wanneer de zondaar zelf haar uit keuze over zich komen en zich haar lijdzaam welgevallen laat.

VII. Een belangeloos leeraar of herder ontziet niemand. De heilige gestrengheid, die hij uitoefent, is beter clan eene weekelijke zachtheid: de laatste doet den zondaar bij zijne ondeugden insluimeren, de eerste doet hem ontwaken, laat hem zijn ellendigen staat gevoelen en schudt zijn geweten wakker door een heilzame vrees. — Men beleedigt den zondaar niet, als men hem vernedert door hem hard te behandelen; integendeel, men steekt dan de buil van zijn hoogmoed met de punt van de liefde door.

VIII. Ongelukkig hij, wiens leven omgaat in beloften, in begeerten en in onvruchtbare voornemens van bekeering. Wat God vraagt zijn werkelijke werken en de zoodanige, die staan tegenover de zonde, waarvan zij de plaats moeten innemen. Geen vrucht der bekeering is Gode waardig die liefde is, dan welke ook zelve een vrucht der liefde kan heeten. — Een vrucht van de eigenliefde, gelijk bijvoorbeeld een slaafsche vrede is, kan Gods gerechtigheid niet voldoen. — De oefeningen der godsvrucht kunnen hem niet behagen, dan door den geest der bekeering, dat wil zeggen, door een geest van ware hartsveraudering, van een hartgrondig berouw en van een boetvaardige liefde.

IX. De deugden der vaderen dienen den kinderen tot niets, als deze hun gelijken niet zijn. — God heeft ons niet noodig om door ons gediend te worden, daar hij zich aanbidders kan vormen van de verhardste zondaars, steenen harten kan veranderen in teedere liefhebbers zijner wet, en zich kinderen vormen kan uit de veilste slaven. Ach, Heer! mocht dit nog zoo harde en slaafsche hart de uitwerking van die alles beheerschende kracht gevoelen! Gelief er uwe eer in te stellen, om van mij een kind des geloofs en der beloftenis te maken!

Sluiten