Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet zoodoende iets te zullen verliezen, maar integendeel daardoor verhinderd te worden om te geven, en bovenal zichzelven te geven.

VI. Het hart behoort Gode toe. Hij is er de rechter over, hij is er het loon van. In bet hart wil hij gebeden en aangebeden zijn. — Plet gebed is de meest verborgen omgang der zielen met God; daarin spreken beiden van hart tot hart. De wereld is te onheilig en te ongeloovig, om in dat geheim te deelen; men moet haar de deur sluiten door haar te vergeten, zoowel als alle dingen, die haar bezighouden en vermaken. — Het gebed eischt de afzondering, althans des harten, want het hart is de meest verborgen plek van Gods huis, hetwelk wijzelven zijn. In die plek moet men zich afzonderen, zelfs als men in het openbaar en temidden van de menschen bidt. — Wat haalt bij de goedheid Gods, die op ons gebed ons niet alleen geeft wat wij vragen, en meer dan wij vragen, maar dan nog daarenboven het gebed zelf beloont! — Welk een voorrecht is het, een vorst te dienen, die de gebeden als verdienste toerekent, en die op de rekening zijner onderdanen het vertrouwen schrijft, dat zij hem betoonen door hem alles te vragen.

VII. Het gebed vereischt meer hart dau tong, meer zuchten dan woorden, meer geloof dan redeneering. — De welsprekendheid van het gebed bestaat in den gloed des verlangens, in den eenvoud des geloofs, in den aandrang en de volharding der liefde. — De overvloed en keur van schoone gedachten, de welberekende en hartstochtelijke uitboezemingen, de kunstige aanleg en schikking der rede, — met dat alles maakt men een fraaie preek voor de menschen, maar geen ootmoedig eu Christelijk gebed. — Ons vertrouwen moet voortkomen uit hetgeen God doen kan in ons, maar niet uit hetgeen wij zeggen kunnen aan God.

VIII. Het gebed dient niet om God in te lichten, maar om den mensch een oog te geven op zijne ellende, om zijn hart te verootmoedigen, om zijn verlangen op te wekken, om zijn geloof te doen

Sluiten