Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

derd millioenen schenkt, en daarenboven nog een menigte van vergrijpen tegen zijn gezag en zijn persoon kwijtscheldt, op de eenige voorwaarde, dat zij met hem en met elkander op een goeden voet zullen leven, dat is iets, dat men in de wereld nooit zien zal; en toch is dit nog slechts een schaduw van hetgeen Jezus van wege zijn Vader aan de ware boetvaardigen belooft. Men moet wel weinig waarde hechten aan zijne zaligheid, om te weigeren haar zich tot dien prijs te verwerven.

XVII. Wie niet wakker wordt op het gehoor vau een zoo zwaren donderslag, slaapt niet, maar is dood. — Het is niet zonder reden, dat Jezus aldus voor alles aandriugt op de bede om vergeving der zonden, waarmede de bedreiging van Gods eeuwigen toorn samenhangt, en de noodzakelijkheid van de broederlijke liefde. Er hangt alles aan, of men haar al of niet goed begrijpt en zich voor hare veronachtzaming wacht.

XVIII. Hij, die door de offers, die hij Gode brengt, bij de menschen eer behalen wil, stelt zich aan alsof hij zijne schepselenliefde boeten en goed maken wil, juist door die schepselenliefde te vieren. — God wendt de oogen zijner barmhartigheid van den zondaar af in dezelfde mate, als deze er naar streeft de oogen der menschen tot zich te trekken. — Wanneer men een droevig gezicht zet uit huichelarij, is men zeker zeer verre van die heilzame droefheid, welke de ware boetvaardigheid bij den zondaar verwekt.

XIX. De liefde Gods maakt, dat men met vreugde verricht wat men voor hem doet. — Ons hart is tegenover God, wat ons hoofd en aangezicht is tegenover de menschen. Het is dus door het hart, dat hij ons kent en over ons oordeelt: daardoor is het, dat wij hem behagen. — Het offer der boetvaardigheid, dat Gode behaagt, is het offer van ons hart, gewasschen in het water van onze eigene tranen en gezalfd met den geest der liefde.

XX. Die zich niet beijvert om den glans en de eere der

Sluiten