Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten. De zorg voor het noodige is het, wat de menschen voorde

toekomst ongerust doet zijn, en dit juist is het wat hen gerust stellen moest: immers, zoo iets, dan behoort dit tot de dingen, waarover de zorg der Voorzienigheid en het toezicht eens vaders gaat.

XXXIV. Een zevende wapen tegen de bezorgdheid voor het aardsche is de gedachte, dat onze plichten jegens God en de zorg voor onze zaligheid ons geheel moeten bezighouden. Daarheen moeten alle onze begeerten, alle onze zorgen, alle onze bemoeiingen zich uitstrekken. _ Wie God zoekt, vindt God en met hem al het overige; de rechtvaardigen worden alleen somtijds van het noodige verstoken, opdat zij des te zekerder, des te spoediger, des te volkomener God zouden vinden. — Een ziel, die door God met zijne genade als met een kleed bekleed, als met een spijze en drank der ziele gevoed wordt, zou er niet aan kunnen denken zich over God te beklagen, alsof God zijn woord jegens haar gebroken had, door haar met haar zorg voor de nooddruft des lichaams aan zich zelve over te laten. — Geef, o Heer, dat ik niets begeere dan u, niets zoeke dan u, niet leve dan in u en voor u!

XXXV. Een achtste hulpmiddel tegen bezorgdheid voor onze nooddruft is de overweging, dat deze ondeugd ons reeds ongelukkig maakt, eer de nood aan den man komt. — De toekomst is liet gebied, waarin God alleen meester is: men grijpt dus in zijne rechten, door alles te willen voorzien wat ons gebeuren kan, en ons door onze zorgen in veiligheid te willen stellen tegen allen mogelijken nood. — O hoeveel goeds is er in vergetelheid geraakt, hoeveel kwaads is er veroorzaakt, hoeveel plichten zijn er verwaarloosd, hoeveel onschuldigen zijn er prijs gegeven, hoeveel goede werken zijn er vernietigd, hoeveel waarheden onder den domper geplaatst, hoeveel onrechtvaardigheden gepleegd, alles eenig en alleen door dat zorgvol vooruitzien van hetgeen gebeuren kan, en door dat ongeloovig vreezen voor de toekomst! — Doen wij voor het oogenblik wat God van ons eischt, en geven wij ons voor hetgeen er van komen kan aan hem over. — De toekomst, die God wil dat wij voorzien en pogen te voorkomen, is die van zijn toekomstig gericht

Sluiten