Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XVIII. De hoogmoedige meent tot alles bekwaam te zijn. Voor de vervulling der gewone plichten hebben wij geen andere roepstem noodig, dan die des Evangelies. — liet is is niet genoeg dat onze voornemens goed zijn in zich zeiven, wij moeten hen ook door hooger leiding laten besturen.

XIX. Het is billijk, dat wij Jezus in die vrijwillige verzaking van alle gemakken des levens aanbidden ; dat ook wij ons althans het spenen van enkele er van getroosten, om zoodoende hem te eeren en na te volgen, en dat wij hem daartoe de vereischte genade en den geest der zelfverloochening vragen. — Welke arme wordt niet vertroost, als hij het oog op dit heerlijk toonbeeld slaat? Welke rijke wordt niet beschaamd, als hij ziet, hoever hij van hem afstaat en hoe ongelijk hij aan hem is? Welk een bestraffing van al die weelderigen, die zich altijd zoo weinig op hun gemak gevoelen en die hun geest uitputten, om van dag tot dag nieuwe middelen tot streeling van hun gemakzucht uit te vinden ! — Aanbidden wij den Zoon Gods, die zich zoo diep vernedert om de natuur des menschen bij de vleeschwording des Woords aan te nemen, en die daardoor, tot op zekere hoogte, zelfs beneden de dieren des velds verstoken wordt van alle gemakken des levens. — Wie Jezus volgen wil om zijn fortuin naar de wereld te maken, zoekt Jezus niet, maar de wereld en zijn fortuin. — Men moet zich van alles losmaken, indien men waarlijk God dienen wil door Jezus te volgen, hetzij in de evangeliebediening, hetzij op andere wijze.

XX. Men moet de stem Gods gehoorzamen zonder eenig uitstel. — Het Adamskind valt altijd in de tegenovergestelde uitersten: hij wil of God voorkomen, gelijk de schriftgeleerde in § 18, of hij wil niet terstond volgen, als de leerling in § 20. Het midden tusschen die beiden houdt hij, die het oogenblik afwacht totdat de Heer spreekt, maar dan ook geen oogenblik uitstelt te volgen, als hij gesproken heeft. — Men heeft nooit gebrek aan vrome voorwendsels, als men noch kracht genoeg heeft om in den weg te komen, dien God ons aanwijst, noch ootmoed genoeg om zijne zwakheid te belijden.

Sluiten