Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK IX.

I. Ongelukkig zij, die God verhoort, gelijk hij de Gergeséneu verhoorde, door hen over te laten aan hunne begeerte, en, volgens hunne begeerte, aan hun tijdelijk geluk. Treurige staat der zielen, wanneer men gelooft gelukkig te kunnen zijn, terwijl Jezus zich van ons verwijdert, of ons zijn licht onttrekt, of ons van den bijstand van vrome leeraars of vrienden berooft, en dat wel, omdat die allen onze zondige rust en onze driften in haar genietingen stoorden.

II. Deze geraakte is het beeld van de volkomen onmacht, waarmede de zonde ons geslagen heeft en waarvan alleen Jezus ons genezen kan. Het geloof, de liefde en het gebed der Gemeente verwerven onze genezing van hem. Een beeld is ons tevens dit verhaal van het vertrouwen, dat de zondaar omtrent Jezus koesteren moet. Jezus gaat onmiddellijk tot de bron van de kwaal, welke is de zonde; en daarheen moeten ook wij teruggaan, als wij ziek worden. — Het laat zich denken, dat deze vrome kranke van Jezus in de eerste plaats de genezing zijner ziel begeerde door zyne stille verzuchtingen, terwijl hij de zorg voor zijn lichaam aan anderen overlaat, en dat het daaraan toe te schrijven is, dat Jezus zijne ziel geneest, eer hij tot de genezing zijns lichaams overgaat. Hoe weinigen volgen hem daarin na! — Als men vóór alle dingen God zoekt te behagen door de vroomheid, dan legt God het in anderer hart om voor onze tijdelijke nooden te zorgen.

III. De hoogmoedige wijzen zijn blind, ongeloovig, lasteraars, nijdigaards en verstokt in de boosheid. Zij noemen het goed kwaad, en misbruiken alles. Jezus bekreunt zich niet om die farizeeuwsche ergernis, die hij van ouds keude; hij doet het goede, waarvan hij weet dat men misbruik maken zal. Laat ons ook de werken der liefde en der gerechtigheid niet nalaten, ten gevalle van de ons vijandige zielsstemming van de schijnvromen, de waarlijk boozen, of van de bedorven geleerden. — Het licht des verstands dient al-

Sluiten