Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat God ons bewaart, te verliezen. De Heiland scliijnt voor zulk een belooning van menschen voor zich bevreesd te zijn, ten einde ons te leeren, die vrees ook voor ons zei ven te deelen.

XXX. De eer volgt hen na, die haar ontvlieden. — Al wie de barmhartigheid Gods recht beeft leeren kennen, kan zijne dankbaarheid niet beletten zich te uiten. — God wil niet, dat zijne vrienden voor de wereld zoo verborgen blijven, als ze toch zouden wenschen, omdat de voorrechten, die hij hun te hunner heiligma-

'king schenkt, tegelijk ook der heiliging van anderen moeten ten goede komen.

ra

XXXI. De booze sluit zijnen dienaars den mond, als hij hen terughoudt van' het bidden, het belijdenis doen van zonde en de lofverheffing van God. —Niets ergers voor een zondaar, dan ineen staat te verkeeren, waarin hij zijn ellende niet openbaren kan. — Maar daarin voorziet God door zijne barmhartigheid; hij zorgt in dat geval dat anderen, hetzij de gemeente gezamenlijk, hetzij deze of gene liefdevolle vriend in het bijzonder, wien hij diens nooden op het hart legt, voor den hulpbehoevende zijne goedheid inroepen.

XXXII. Niets is verwonderlijker in het oog des geloofs, dan de bekeering van een ziel door de goddelijke genade; maar de oogen des vleesches zien er vaak slechts iets volstrekt verachtelijks in. Wordt een hart eens recht door de liefde bewogen, dan herkent men dat gevoel aan de taal, die het spreekt. Het is meei uit den mond des eenvoudigen volks, dat God zijnen lof klinken doet, dan uit den mond der geleerden.

XXXIII. Het is de boosheid ten top gevoerd, als men de werken Gods aan den duivel toeschrijft. — De nijd kan niet lijden, dat men de deugd van anderen verheft. Hij doet hen, wier hart door de zonde is ingenomen, een taal des duivels spreken. — Van den nijd tot den laster is maar één stap. — Niet allen zijn even nijdig als de farizeeërs in het verhaal; maar allen moeten vreezen

Sluiten