Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK X.

I. Niemand heeft het recht, om ons tot een kerkelijke bediening te roepen, dan de Heer, die ons ook de macht kan geven, om over de booze geesten der zonde en der veelvuldige zielekrankheden, die uit de zonde voorkomen, te heerschen. Die krankheden zijn drieërlei: die der eerste soort komen voort uit de zonde der onreinheid; zij ijn de hardnekkigste; door deze booze geesten wordt de gansche ziel bezeten. Die der tweede soort, de zonden, uit kwaue gewoonte voortkomend, zijn gelijk aan chronische ziekten. Die der derde soort, de zonden die uit zwakheid voortkomen, hebben een minder hatelijk karakter: zij zijn meer het gevolg van gebrek aan nauwgezetheid, dan van verkeerde hebbelijkheid.

II. Aan het hoofd van de apostellijst staat Simon Petrus; Andreas komt eerst als de tweede, en toch heeft hij nog vóór Petrus den Heer gekend. Wij zien er uit, dat God heer is van zijne gaven, en wij het recht er op alleen aan zijn vrijen wil en keuze verschuldigd zijn. — De lijst wordt besloten met den naam des verraders. Aanbidden wij den ondoorgrondelijken raad Gods in de keuze van een boozen dienaar, wiens ongerechtigheid hij kende. Men ziet daaruit, welk een valsche gevolgtrekking men maakt, als men, wegens de onheiligheid van enkele bedienaars der kerk, aan de kerk het karakter van heiligheid betwisten wil. — Op de apostellijst vinden wij geen rijken, geen edelen, geen machtigen, geen wijzen naar de wereld; dit geeft ons een wenk om ons te wachten voor den waan, dat zulke tijdelijke voordeelen ons geschikter of bevoegder zouden maken om een kerkelijke bediening te aanvaarden. — Dragen wij de boozen met geduld, aanbidden wij den Heiland en zijn goddelijk gezag, die door der menschen boosheid wel onteerd, maar niet in hunne werking gestoord kunnen worden, daar het de Heer is, die in de kerk alle dingen, ook door soms geheel ongeschikte of onwaardige werklieden, doet.

III. Gaan wij niet daarheen, waarheen onze neiging, maar

Sluiten