Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VI. Het woord van den Heer, zoo krachtig tot genezing van het lichaam, is het evenzeer om aan onze geestelijke nooden te gemoet te komen. — Een gewichtige en hoogstnoodige les daarbij is het, dat wij God en zijne Gemeente om niet moeten dienen. Wat ware schandelijker, dan handel te drijven met de gaven des Heiligen Geestes, waarvan wij niet de eigenaars, maar slechts de mededeelers zijn ? Zulk eene handelwijze ware een diefstal, een onrecht, eene oneerbiedigheid en eene ongehoorzaamheid. Nu kan men met de geestelijke gaven op allerlei wijze handel drijven: door hoogmoed en ij delheid, als men daardoor eere en toejuiching verkrijgen wil; door geldgierigheid, als men er zich door poogt te verrijken, en wat dies meer zij. — Predikers des Woords, opzieners der gemeente, herders der zielen zullen er zich nooit genoeg van kunnen doordringen, welk een persoonlijke belangeloosheid Jezus van hen eischt. Hoe weinigen zijn er, die geheel los zijn van alle eigenbaat, en die daarom recht hebben te zeggen, dat zij alles om niet geven, en dat zij geenerlei soort van geschenken aannemen, noch rechtstreeks, noch zijdelings, noch voor zich, noch voor anderen. — Het is echter geheel iets anders, of men zich de belangen van de Gemeente en van de zielen aantrekt in de hoop van daardoor giften en gaven voor zichzelven te verkrijgen, dan of men poogt te zorgen, dat het der Gemeente niet aan de noodige middelen ontbreke, om in de aangelegenheden var den eeredienst en in de behoeften der armen te voorzien. Het eerste is een werk van verachtelijke geldgierigheid, dat aan den toeleg van Simon om de gaven des Geestes voor geld te koopen denken doet; het andere is niet alleen geoorloofd en onschuldig, maar wordt ons ook door den aard der zaak en door Gods wil tot plicht gemaakt.

VII. Een apostolisch evangeliedienaar laat de zorg voor de benoodigdheden des aardschen levens aan de Voorzienigheid over.

Indien de dienaars van Jezus Christus los moeten zijn van

hun eigen goed, hoeveel meer dan van dat van anderen! Wat baat het, of' men al geen goud in zijne beurs draagt, als men toch het hart met goud vervuld heelt door er naar te

Sluiten