Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verlangen ? — Een evangelienaar moet erg verblind zijn, als hij juist het tegendeel doet van dit woord des Heeren, en met niets zoozeer bezig is als met de gedachte om goud en zilver te bezitten. En toch, hoevele verblinden van die soort vindt men niet!

VIII. Niets moet een evangeliedienaar terughouden: hij moet altijd gereed zijn om te gaan. De uitrusting van een gezant van Jezus is de armoede ; zijn reiskassette is zijn vertrouwen op Gods Voorzienigheid en op de grootmoedigheid der geloovigen om in zijn onmisbare behoeften, als daarvoor niet van elders in den weg van Gods middelen gezorgd wordt, te voorzien. — Wie het evangelie predikt, moet zijnen geest ook in zijne verhouding tegenover de dingen der aarde te aanschouwen geven. — Wie in de kerk arbeidt (niet wie er niets uitvoert) heeft recht om, ja, van de kerk te leven, maar niet om met haar behulp zijne weelderigheid en ijdelheid te onderhouden en te voeden. — Hij, die van den arbeid zijner handen leeft, zonder van zijn recht gebruik te maken, handelt zeker beter; maar wat zijn dezulken zeldzaam !

IX. Een evangeliedienaar moet zorg dragen voor zijn goeden naam en zijn intrek niet nemen, dan bij menscheu van een goed levensgedrag ; hij moet zelfs den schijn van lichtzinnigheid vermijden en nog meer zich wachten voor het voorkomen van gezetheid op een goede tafel en op een gemakkelijk en genotvol leven. Echte evangeliedienaars te mogen ontvangen en onthalen is eene genade, welke de wereld niet waardig is, en waarvan maar weinige menschen gevoelen hoe hoog zij is te schatten.

X. De vrede des evangelies bestaat in de rust des harten, die de betrachting der liefde en het genot van een goed geweten ons geeft. — Dat mag wel heeten zijn gastheer bij voorraad te betalen, als men voor hem bidt en hem den vrede des Heeren toewenscht, dat wil zeggen: de kennis van Jezus Christus, de gerechtigheid van het koninkrijk der hemelen en de genade des geloofs.

Sluiten