Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mijn hart een goede aarde, en laat het de vrucht dragen, die het moet opbrengen. Het is oene onrechtvaardigheid, eene ontrouw, ja, een diefstal, u uiet al de vrucht van uw zaad op te brengen. Bewaar mij daarvoor, Heer, door uwe genade!

XXII. De kerk is de akker der wereld, dien God bebouwt door zijne genade en door zijne dienaren, waarin hij niet dan goed zaad zaait, waarin niemand zulk een zaad wordt, dan door de kracht de liefde en der christelijke deugden, die de plantinge en het zaad Gods zijn. Welk een genade, welk een gave der barmhartigheid, tarwe Gods te zijn, door zijn hand in ziju akker gezaaid! Geef, Heer, dat ik er blijve, dat ik er wasse, dat ik er altijd vrucht drage tot aan den tijd des oogstes toe!

XXIII. De boozen zijn met de goeden dooreen gemengd in de kerk op de aarde; het is niet dan in den hemel, dat alles rein en zonder inmenging van eenig kwaad is. — Alle maatschappijen hebben haar onkruid; de tarwe trekt het zich niet aan, en draagt het met geduld. — Wee den luien en slaperigen zielenherders, die de zielen laten verderven door de dwaling of de zonde. — Al wie in de kerk dat onkruid zaait, is de vijand Gods, en men zaait het in zeker opzicht, als men niet helpt beletten, dat een ander het zaait. — O mijn God, maak toch de zielenherders wakker en open hunne oogen voor het onkruid, dat uw zaad verstikt!

XXIV. Als de vromen vorderingen in vroomheid maken, beginnen zij de vijandschap der goddeloozen eerst recht te ondervinden. — De gelegenheden maken de menschen niet boos, maar doen hen kennen voor hetgeen zij zijn. — God laat in den regel niet toe, dat zijne uitverkorenen aan de bestrijding der boozen worden bloo tgesteld, dan als zij sterk genoeg geworden zijn om de proef des lijdens te doorstaan. Dat boozen en goeden dooreengemengd zijn is volstrekt noodig, teneinde de uitverkorenen te onderrichten, te oefenen, te louteren, te heiligen en nederig te doen blijven.

7

Sluiten