Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

des Heeren, ontneemt men aan de goeden den tijd, om zich in het goede te versterken, en aan de kwaden den tijd om het kwade af te breken. Men handelt grootelijks tegen den Geest des Heeren, als men er zich niet om bekommert, of men de tarwe uitrukt, als men het onkruid maar uittrekken kan.

XXVIII. Men moet de goddeloozen in dit leven geduldig dragen, daar het Gods bestel is, dat zij met de goeden vermengd blijven tot aan het einde der wereld. — God draagt hen niet alleen, maar door zijne almacht bewerkt hij ook, dat de eenen en de anderen zijne plannen helpen bevorderen. Want de boosheid der goddeloozen ergert zich zoozeer aan de deugd der goeden, dat hun toeneming in begeerlijkheid en in goederen, in macht en in wereldsche eer steeds klimmende blijft tot aan hunne veroordeeling toe; en de deugd der vromen trekt zulk eene vrucht uit de ondeugd der goddeloozen, dat hun innerlijke wasdom in genade en in vroomheid steeds toeneemt tot hunne verheerlijking toe. Die twee uitwerkselen zijn afhankelijk van de rechtvaardigheid en de barmhartigheid Gods: van zijne barmhartigheid, die alleen al het goede in de heiligen uitwerkt en bekroont, en van zijne rechtvaardigheid, die al het kwaad in de goddeloozen toelaat en straft. — Begrijpt men wel wat het zegt: met geweld van de aarde weggerukt te worden, waaraan men zich gehecht heeft, en als een bos onkruid samengebonden en zoo in het vuur geworpen te worden ? En daarop loopt toch ten slotte het tijdelijk geluk der goddeloozen uit! —De korenschuur Gods — dat is de hemel, dat is de schoot van God zeiven. Daarheen is het, dat zijne tarwe, dat is zijne uitverkorenen, na hier beneden vertreden en gemalen te zijn door de vervolgingen, worden heengebracht, om het brood Gods in eeuwigheid te zijn, gelijk omgekeerd God eeuwiglijk het brood der uitverkorenen wezen zal.

XXIX. Deze gelijkenis is een beeld van den voortgang van het Evangelie in de wereld en van den wasdom der genade in eene ziel en van de stichting der kerk, welke gegrond is op de vernedering van den Zone Gods, die zichzelven in zijne menschwording

Sluiten