Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XLV. Welk een troost voor hen, die gedurende dit leven over de kwalen der kerk hebben gezucht, haar eindelijk voor goed verlost te zien van alle vervolging, zoowel van binnen als van buiten, van goddeloozen en valsche broeders, of' van de gevolgen van een onheiligen ijver en van een blinde en onverstandige vroomheid ! Wat reden van wanhoop voor hen, voor wie het zien van en het omgaan met vromen een oorzaak van haat en vijandschap is geweest, zich nu voor altijd van hen gescheiden te zien! Men heeft een zeer kwijnend geloof, als men zonder schrik aan deze scheiding denken kan. De liefde voor onze zaligheid moet wel zeer weinig vurig in ons zijn, indien men niet reeds bij voorraad zich beijvert om zich van de goddeloozen af te scheiden door een heilig leven en de betrachting van goede werken, al blijft men met hen in de kerkelijke gemeenschap, zoolang de Heer der gemeente, waartoe wij behooren, de scheiding niet heeft voltrokken.

XLVI. De smart, de droefheid, de woede der veroordeelden — wie kan zich die voorstellen? O wat moet men niet doen, wat moet men niet lijden om dit alles te ontgaan? Gelukkig hij, die deze ellenden voorkomt door eene heilzame droefheid en door de tranen der boetvaardigheid, en die bijtijds de ijdele vreugde en wellusten der wereld vaarwel zegt. Nog een korte poos, en die allen zullen niet meer zijn. En daarentegen, na duizenden en duizenden millioenen van jaren, gedurende welke zij dat vuur en die tranen zullen hebben doorgestaan, zullen zij nog slechts beginnen om nooit te eindigen.

XLVII. Laat ons niet luchtig over die goddelijke waarheden heeuloopen, zoo wij van hare verkondiging eenige vrucht zullen hebben. Begrijpen wij haar gewicht door deze vraag des Heilands. — Het is goed zichzelven rekenschap te geven, terwijl men haar leest of hoort, van den indruk, dien zij maken op onzen geest en op ons hart, van het gebruik dat ons geloof er van maakt, van de gevolgen, die wij er uit moeten trekken tot de regeling van ons

Sluiten