Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LUI. Het ongeloof en de verachting van het woord Gods verdrijven den Heiland uit eene ziel, zooals zij hem uit zijn land verdreven hebben. Zooals het geloof de almacht Gods schijnt te stellen in de hand van een rnensch, schijnt het ongeloof den Almachtige de handen te binden. — In den regel ziet een christen weinig vrucht van zijn werk temidden van zijne naastbestaanden; en dat wel, omdat het den menschen moeite kost met oogen des geloofs hem aan te zien, dien men gewoon is met de oogen des vleesches t,e beschouwen, terwijl ook de werkelijke of schijnbare gebreken van den bedienaar des woords meer indruk maken op hen, die ze zien, dan op de hoorders, die onder den invloed zijn van zijne heilige bediening en vau de waarheden die hij verkondigt.

HOOFDSTUK XIV.

I. Hier blijkt, dat het geloof aan de opstanding onder de Joden algemeen was. — De heiligheid van Johannes wordt zelfs door zijn vervolger erkend. — Het is een vreeselijk oordeel, geen open oog te hebben om de heiligheid van een man Gods te zien, dan nadat men hem verloren heeft, of, nog erger, hem heeft doen sterven, hetzij door het zwaard of' door kwade behandeling. — De wonderen van Jezus, door Herodes zeiven voor waar gehouden en als zoodanig erkend, zijn de veroordeeling, zoowel van Herodes, als van de Joden en van al de ongeloovigen aller eeuwen. — De verharde zondaar heeft altijd zijne zonde tot beul, en meent haar overal voor zijne oogen te zien.

II. Een onkuische kan het niet lijden, dat een liefderijke waarschuwing hem in zijne genoegens komt storen. — Niets is zoo heilig, dat hij niet aan zijnen hartstocht opoffert. Deze drift verstikt in Herodes alle betere inzichten, alle gevoelens van eerbied voor de deugd, alle neigingen ten goede: en evenzoo zal zij doen bij allen, die er zich aan overgeven gelijk hij.

III. Bewonderen wij in den voorlooper des Heeren, als in

Sluiten