Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XII. Hoe groot moet de teederheid en het medelijden vau Jezus voor de kranke zielen niet zijn, als hij zooveel deernis met lichamelijke krankheden heeft? Wij vinden in den oppersten Herder geen spoor van verdrietelijkheid daarover, dat men hem de rust niet laat genieten, die hij in de woestijn komt zoeken. Zoo leert hij ons de rust op te offeren, als de nood dringt en als de gelegenheid om te arbeiden zich voordoet. — Men moet veel teederheid en medelijden hebben met de kranke zielen, haar voorkómen, hare zwakheden tegemoet komen en hare tijdelijke nooden daarbij niet uit het oog verliezen.

XIII. De liefde der apostelen is opmerkzaam op de nooden des naasten. Men is niet waardig hen op te volgen, indien men hen niet navolgt. — De menschelijke voorzichtigheid moet denken aan de menschelijke middelen, zoolang God zijn voornemen niet heeft doen kennen om iets buitengewoons te doen. — God laat den bestaanden nood aan 't licht komen, ten einde het wonder te meer te doen uitkomen en het daardoor te nuttiger te doen zijn. — Verwonderliike geestdrift in dat arme volk, dat zijn lichamelijke nocden vergeet voor de vertroosting om niet Jezus te zijn en zijne nabijheid te genieten! — Als de ziel recht vol is van God, of naar zijn woord hongert, heeft zij weinig gevoel van de nooden en den honger des lichaams.

XIV. Een berder en leeraar is verplicht het onmogelijke te beproeven, zoowel om de armen te spijzigen, als om de zielen bij te staan en te helpen. — Hij moet niet in eigen schat vinden, wat hij de zielej zal geven, maar in den schat van Jezus. Wie op hem vertrouwt, heeft een onuitputtelijke en altijd geopende schatkamer te zijnen dienste.

XV. De belijdenis van onze eigen nooddruft is een groote grond van aanspraak op Gods gaven, en is reeds eene gave op zichzelve. — Een dienaar van Jezus moet zich altijd als een arme beschouwen, al meent hij ook nog zulk een overvloed van wetenschap en talenten te bezitten.

9

Sluiten