Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De prijs dier verdiensten is oneindig groot, en geeft tegelijk hare betrekkelijke waardij aan onze pogingen om ons te bekeeren en het goede te doen. — Men kan nooit te veel op die verdiensten bouwen, mits men daarbij bereid zij zichzelven geheel ten offer te brengen en Gode geheel zijn hart te geven.

XXVII. Daar God rijk is in barmhartigheid, schenkt hij haar nog overvloediger dan men vraagt, mits men haar op de rechte wijze vrage. Hij kan, om zoo te spreken, aan den ootmoed geen weerstand bieden; die ootmoed is het, die zijne rechtvaardigheid ontwapent en de schatkamer van zijne barmhartigheid ontsluit. — God vergeeft nooit ten halve; hij scheldt de groote schulden evenzoo gemakkelijk kwijt als de kleinste; maar hij doet dit op voorwaarde dat men ook niet ten halve boetvaardig zij, dat mén aan geenerlei zonde gehecht blijve, en dat de wil om zich te bekeeren ook volkomen en volledig zij.

XXVIII. De hardheid omtrent den naaste en de ondankbaarheid jegens God zijn de vrucht van een scliijnbekeering, zooals daarentegen eene waarachtige bekeeritig altijd gevolgd wordt door eene liefde, die medelijden heeft met de broeders, en door eene dankbare liefde omtrent God. — Tiet vergeten van Gods genadegiften is dikwijls de oorzaak vau onze wederinstorting in het kwaad. — Beschouwen wij die hardheid eii die ondankbaarheid van den boozen dienstknecht in al hare bijzonderheden, en wij zullen er onszei ven naar het leven geteekend in terugvinden.

XXIX. De mensch vernedert zich voor den men?ch ter zake vau tijdelijke schulden, ofschoon de goede uitslag vau zijn vernedering onzeker zij ; hij doet het niet voor God voor zijn eeuwige schulden, ofschoon hij verzekerd is, dat hij het niet zonder vrucht zou doen. — Bedachten wij wel, dat wij voor God arm en schuldig zijn, wij zouden onszelven terugvinden in diegenen onzer broeders, die dit evenzeer zijn tegenover ons. — Denken wij aan het oogenblik, dat wij ons voor de voeten van onzen Rechter bevinden

Sluiten