Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijken wil van God. Hoe meer hjj zich beijvert om te handelen, des te meer feilen en zonden begaat hij. — Het is goed op de belooning te zien, daar het Jezus zelf is, die haar ons voor oogen stelt. — God is de opperste rechtvaardigheid en rede; daarom kunnen wij alles van hem verwachten.

III. De derde roeping valt in den middelbaren leeftijd.

De vierde in den ouderdom, die onbekwaam is tot arbeiden voor het dagelijksch brood, maar altijd in staat om te arbeiden aan liet werk der zaligheid door geloot en goede werken. — God houdt met op ons, zoolang wij hier leven, tot den arbeid en tot de zaligheid te roepen. — Als hij ons gebiedt te gaan en ons daarbij geeft wat hij gebiedt, gaat en arbeidt men niet vrucht. — Het is genoeg dat gij iets wilt, Heer, en dan zal mijn wil den uwen volgen. Wek mijn traag en lui hart op, en ik zal met groote schreden in uwen weg loopen!

IV. De vijfde roeping komt tot ons aan het einde des levens en in den tijd des vervals. — Men krijgt te geener tijd vrijstelling van aan zijne zaligheid te arbeiden, en de barmhartigheid Gods kan te allen tijde onzen arbeid vruchtbaar doen zijn. Geen leeftijd moet geheel werkeloos wezen. Het is altoos de tijd om een arbeid te beginnen, zonder welken men niets te hopen heeft voor de eeuwigheid. — Mijn God, hoe vol is de wereld van die soort van menschen, wier leven geheel in ledigheid wordt doorgebracht, en die op het punt staan het te verlaten zonder ooit geleerd te hebben, waartoe zij het hebben ontvangen! De mensch is tot arbeid verplicht door de wet der schepping, de zondaar is er toe veroordeeld door het na den val over hem uitgesproken vonnis, de christen is er toe geheiligd door de weldaad van zijne kindsaaunemiug door God. Wie nu in gebreke blijft dien aanleg, hem door zijnen Schepper ingeschapen, te volgen, zich aan dat gebod van zijnen Rechter te onderwerpen, en zijn Hoofd, zijn Voorbeeld, zijn Herschepper na te wandelen, hij verbeurt zijne zaligheid. — Alles zet den mensch aan tot een arbeidzaam en werkzaam leven en de ledigheid is een bron van eeuwig verderf.

Sluiten