Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XXL

I. De zegepralende intrëde van Jezus in Jeruzalem is als het voorspel van de overwinning, die hij gaat behalen over den vorst dezer wereld, en tegelijk een beeld van zijn rijk in zijne kerk en in de zielen. Het is door zijn dood, dat hij overwinnen moet, door zijn vernedering, dat hij moet worden verhoogd, door zijn kruis, dat hij triomfeeren moet over zonde, dood en hel. Daarom trekt hij de stad niet op prachtvolle wijze binnen dan om den dood tegemoet te gaan, om hem op te zoeken en ten strijde te dagen, en om te toonen, dat het uit vrijen wil is dat hij staat te lijden. Al de toerusting om hem heen strekt alleen tot vernedering voor zijne tegenstanders, en zelfs zijn zegepraal dient alleen om zijn vijanden te vertoornen, en hem zoo doende den weg naar het kruis te banen.

II. Deze twee dieren, ezel en ezelveulen, die dienst moeten doen bij Jezus' zegepralenden intocht, zijn een beeld van de twee volken, waaruit Jezus' kerk bestaan zou : het Joodsche volk, dat aan het dragen van het juk gewoon is, en het volk der heidenen, die dit juk niet hebben gedragen. Zij vertegenwoordigen ook den christen, die uit twee bestanddeelen is samengesteld, daar hij de wet Gods dient naar den geest en de wet der zonde naar het vleesch. Gij laat mij, o Heer, in de banden, waaraan deze twee diereu vastgebonden werden, mijne slavernij ouder de wet der zonde zien; maar gij geeft mij tevens te aanschouwen, dat gij die banden gaat verbreken en aan uwe dienaars in de kerk de vrijheid en de macht geven zult om alle zondaars, Joden en Heidenen beiden, zonder onderscheid te ontbinden : immers heeft alles wat gij ons in uw persoon te zien geeft een verborgen beteekenis, en wel zóo, dat het u meermalen behaagt de grootste dingen door de kleinste te laten afbeelden.

III. Jezus, zich altijd gelijkblijvend in zijn handelingen, is er altijd op uit om zich te vernederen, ten einde aan den eeneu kant

Sluiten